|
De bedoeling van de verzamelde teksten is om handvatten te geven aan de
Timbrado kweker, hoe een goed vogelbestand op te bouwen en hoe een
vogelbestand "uit te werken" in een bepaalde zangrichting die de kweker
zelf het mooist vindt.
De tekst is als volgt
opgebouwd:
Voorwoord: door E.M. Eweg & M. Pardo del Rio (Keurmeesters Timbrado,
bestuursleden STS)
Hoofdstuk 1, 2 en 3: door M.A. Espada (Keurmeester) 1994 oorspronkelijke
titel “Una tarea dificil 1, 2 en 3” ( vertaling uit het Spaans).
Hoofdstuk 4: bron M. Weijling, Het boek voor de zangkanariekweker, hfdst
17, Thieme, Zutphen 1948, bewerking.
Hoofdstuk 5: door E.M. Eweg en M. Pardo del Rio
Voorwoord:
Nakomelingen
verkrijgen van Timbrado’s is niet zo enorm moeilijk. Maar bewust kweken
met als doel om een vogelbestand te verbeteren en een bepaald resultaat
met de vogels te bereiken – dat is een ander verhaal. Daar komt veel bij
kijken. En zeker als het gaat over zangkanaries, of hier de Timbrado.
Want, anders dan bij bijvoorbeeld de kleurkanaries, is het niet mogelijk
om de eigenschappen aan de buitenkant ervan af te zien. Of een bepaalde
zangeigenschap dan vervolgens wel via vererving is vast te leggen, ook dat
is niet precies bekend. En om het allemaal nog ingewikkelder te maken,
wordt de zang ook nog eens beïnvloed door de voeding en andere
omgevingsfactoren. De zangkanaries nemen nu eenmaal het lied van elkaar
over en passen hun lied aan bij dominante zangers in hun omgeving.
Maar betekent dat
dan, dat het dus onmogelijk is om goede resultaten te verkrijgen door het
zorgvuldig samenstellen van de kweekvogels? Nee, de praktijk wijst
gelukkig anders uit. Het zijn immers steeds bepaalde kwekers, die in staat
zijn om, jaar in, jaar uit, vogels op de wedstrijden te brengen die tot de
top behoren. En dat gaat niet vanzelf. De theorie, de toepassing van de
erfelijkheidswetten, levert inzichten waar wij als zangkanarie kwekers
maar beperkt mee uit de voeten kunnen. Maar op het moment dat die theorie
samengebracht wordt met de ervaring, dan ontstaat er iets interessesants.
Theorie en ervaring samen, geven ons inzichten en aanwijzingen die ons de
richting wijzen om succesvol de kweek op te zetten.
En dat is de
bedoeling van de tekst die voor u ligt. Wij, de samenstellers van deze
bundel, denken dat hier voor u een document ligt, waar Timbradokwekers
iets uit kunnen halen wat hen verder helpt. Basiskennis, de terminologie,
maar ook vraagstukken die ons aan het denken kan zetten. In de tekst
worden in ieder geval enkele practische handvatten gegeven om de kweek van
de Timbrado mee op te zetten en met geduld en na verloop van tijd een
Timbrado van een hoge kwaliteit te kweken. Verwacht echter niet dat na het
lezen van dit alles, de kweek eenvoudig is geworden. Het blijft de kweker
zelf, die op de goede momenten de juiste keuzes moet maken en beslissingen
moet nemen die essentieel zijn voor de opbouw van een familiegroep van
goede kwaliteit.
Als we naar de
theorievorming in Nederland kijken, met betrekking tot de kweek met
zangkanaries, dan heeft M. Weijling een gedegen studie verricht. In zijn
standaardwerk “Het boek voor de zangkanariekweker”, waarvan de eerste druk
al in 1948 verscheen, beschrijft hij de ervaringen van verschillende
kwekers en koppelt deze ervaringen aan de wetten van Mendel. In 1948 werd
bij de Algemene Nederlandse Bond een stamboek opgezet van zangkanaries.
Weijling ’s standaardwerk werd vier keer herdrukt. Weijling baseert zijn
veronderstellingen op de erfelijkheidsleer en combineert deze met de
ervaringen van kwekers. Hij gaat daarbij vooral uit van het genotype, de
vererving van de vogels. Op basis van theorie en praktijkervaringen, trekt
Weijling de conclusie dat het systeem van parallelle paringen tot de beste
resultaten leidt. Zijn uitkomst is om de parallelle paringen in
geïsoleerde foklijnen in te zetten, waardoor bepaalde toeren verbeterd
kunnen worden. Belangrijk is daarbij het inzetten van weinig mannen en
veel poppen, en het zoeken naar de juiste bijpassende pop.
Weijling beschrijft
hoe goede resultaten worden behaald en zijn aanbevelingen zijn door veel
zangkwekers opgevolgd. Echter, zijn werk geeft uiteindelijk niet de
verwachte doorbraak voor het kweken met zangkanaries. Met name het zoeken
naar de juiste pop, waarvan Weijling zozeer het belang benadrukt, blijft
een moeilijk probleem. Het werk van Weijling is ook zeker omstreden in de
wereld van zangkanarie kwekers. Sommigen verwijten hem dat hij de
omgevingsfactoren niet voldoende in acht neemt. Het werk van Weijling kent
geen wetenschappelijke basis, wordt er door anderen gezegd.
Het is immers niet aangetoond dat de toeren van een zangkanarie erfelijk
vast te leggen zijn.
Wij denken dat een
deel van de kritiek op Weijlings aannames niet ongegrond is. Sterker nog,
het is onwaarschijnlijk dat een bepaalde toer erfelijk is vast te leggen –
omdat een toer nu eenmaal geen kenmerk is van een vogel maar slechts een
interpretatie van een bepaald geluid door de mens. Maar wat meer
waarschijnlijk wel erfelijk vast te leggen is, is de structuur van dat
geluid of de karakteristieken van dat geluid. Een bepaalde zangstructuur,
de dominantie van bepaalde basistoeren in het lied, mogelijk het ritme. De
DNA print van de kanarie is echter niet uitgewerkt, het is nog onbekend
welke eigenschappen precies vererven en welke plaats zij innemen in de DNA
gegevens.
Echter, de vraag is
of een fundamenteel wetenschappelijke basis in dit geval zoveel toe kan
voegen. Weijling baseert zijn boek op de ervaringen van een groot aantal
kwekers, die hun ervaringen delen via een bondsstamboek. Als een groot
aantal kwekers samenwerkt en goed gedocumenteerd systematisch
veronderstellingen staaft of weerlegt, dan is sprake van toegepast
onderzoek of praktijkgericht onderzoek. Een vorm van onderzoek die wel
degelijk wetenschappelijk aanzien heeft en een werkwijze die door veel
grote bedrijven gebruikt wordt in hun Research & Development afdeling. Het
motto is dan: “Ga uit van de praktijk en onderzoek of een ontwikkelde
theorie daar van toepassing is”. En als de theorie lijkt te kloppen,
probeer dan uit te vinden in welke situaties de theorie wel, en in welke
situaties de theorie niet van toepassing is. En dat is nu precies ook wat
M.A. Espada in Spanje gedaan heeft, in samenwerking met een grote groep
kwekers van Timbrado’s, van de vereniging “Cesaraugusto” te Zaragoza.
De uitkomsten van
zijn praktijkgericht onderzoek zijn verspreid onder vele kwekers in
Spanje. En algemeen is daar bekend, dat door toepassing van de uitkomsten
van het werk dat hij (e.a.) verricht heeft, zeer goede resultaten zijn
gehaald. Verschillende groepen kwekers in Spanje passen de uitgangspunten
toe, en zijn zo in staat om vogels van een zeer hoog niveau te kweken en
in ieder geval bepaalde, van te voren vastgestelde, doelen te bereiken.
Is het daarmee
eenvoudig geworden? Kunnen we na het lezen van deze tekst allemaal met
gemak goede Timbrado’s kweken? Nee, dat niet. Vele factoren spelen een rol
als we succesvol willen zijn met de kweek, omgevingsfactoren en factoren
die erfelijk bepaald zijn. Maar het werk van M. Espada biedt ons zeker
richtingen hoe de kweek op te zetten. Als we dan tot slot de uitkomsten
van het werk in Spanje combineren met de uitkomsten van het standaard werk
van Weijling, worden uitgangspunten gesteund, versterkt en ontstaan
mogelijk zelfs nieuwe inzichten, waarmee we in Nederland wellicht
baanbrekend werk kunnen verzetten.
In de volgende drie
hoofstukken is een vertaling te vinden van de originele tekst van M.A.
Espada, de vertaling van “Una Tarea Dificil” - “Een moeilijke opgave”,
deel 1, 2 en 3. De theorie wordt uiteen gezet waarop de ervaringen
gebaseerd zijn. De theorie vormt immers het kader, het raamwerk, waarin de
ervaringen passen. In hoofdstuk vier dan, wordt de essentie uit het o.i.
belangrijkste hoofdstuk uit het boek van M. Weijling weergegeven. Tot
slot, in hoofdstuk 5, volgen enige conclusies en leggen we verbanden
tussen de verschillende opvattingen, die van toepassing zijn op de kweek
met Timbrado’s.
De vertaling van
“Una Tarea Dificil” is gedaan door de samenstellers van deze bundel. De
bundel mag niet commercieel verspreid worden en is alleen bedoeld om
kennis te delen met de kwekers van Timbrado’s in de Timbrado Society.
Een moeilijke opgave....
door: Miguel Angel Martin Espada - Keurmeester Timbrado's en voorzitter
CTC Zaragoza C.N. H-363
Vertaling: Erlijn Eweg
Hoofdstuk 1. Inleiding
Alvorens te beginnen, denk ik dat het goed is
om duidelijk te maken dat ik niet de pretentie heb om een meesterwerk te
schrijven, noch om een wetenschappelijk werk neer te zetten. Ik ga een
aantal ideeën uiteen zetten die net zoveel waard zijn als elk ander
gedachtegoed. Echter, van onze theorie kunt u zelf de waarde bepalen door
haar te toetsen aan de praktijk. Bovenal wil ik de conclusies bekend
maken, van het werk van de kwekers van de Timbrado Vereniging in de stad
Zaragoza. Ons belangrijkste doel was, ver weg van het winnen van prijzen
of het verkopen van kanaries, om binnen onze mogelijkheden als kwekers bij
te dragen aan de technische en praktische kennis over de kweek van de
zangkanarie Timbrado.
Ook wil ik me op voorhand al excuseren
tegenover hen die hun kanaries trainen met volwassen voorzangers, omdat
wat gaat volgen, heel waarschijnlijk, voor hen van geen enkele hulp zal
zijn. Het gaat hier namelijk om onze conclusies, van kwekers die zelf
nooit voorzangers gebruiken. Kwekers die het gebruik van een voorzanger
zelfs als contraproductief beschouwen, bij het streven naar de beste
genetische basis van onze Timbrado.
Wat wij bovenal nastreven is het verbeteren
van de genetische basis van de vogels, waarbij de vogels zonder
voorbeelden van zangpatronen (voorzang, bedoeld of onbedoeld) een zang
ontwikkelen naar onze tevredenheid, onafhankelijk van de toeren waar wij
het meest van houden, maar waarbij onze eigen muzikale voorkeur wel het
einddoel bepaald (het soort zang dat wij willen horen bij onze kanaries)
en de selectie methoden die nodig zijn om dat te realiseren.
Belangrijk is het om te beseffen dat de zang van
de vogels bestaat uit een aangeboren en aangeleerd deel, het aandeel van
elk deel in de zang is bij ieder ras verschillend. Er zijn voorbeelden van
vogels waarbij de zang bijna geheel op genetische basis berust en ook zijn
gevallen bekend waarbij de zang verkregen of geleerd wordt van de
volwassen exemplaren. Bij de kanarie in het algemeen en speciaal bij de
Timbrado, kunnen we stellen dat, hoewel er een deel van de zang aangeboren
en een deel van de zang aangeleerd is, de aangeboren mogelijkheden van een
ongelooflijke omvang zijn. Dit in tegenstelling tot sommige andere
vogelsoorten.
Bij de Timbrado is de voorzang met volwassen
exemplaren niet nodig om een rijke en gevarieerde zang te verkrijgen. De
kwekers die voorzangers gebruiken, en daarbij die vogels selecteren die
zelf hun lessen goed geleerd hebben, ontwikkelen vooral de mogelijkheid
van de vogel om te kopiëren en te imiteren.
Wat wij willen bereiken is de ontwikkeling van
dat deel van de zang dat aangeboren is, door juist die vogels te
selecteren die breed ontwikkeld zijn: zonder hulp van volwassen vogels.
Dat beschouw ik persoonlijk als een bijdrage in de evolutie en de
genetische verbetering van dit zangkanarie ras; zo heb ik liever een vogel
met een minder breed muzikaal repertoire waarbij het repertoire geheel op
de genetische basis berust, dan een vogel met een meer gevarieerde zang
die opgeleid is met voorzangers.
In het eerste geval heb ik tenminste een idee van
het soort zang dat de jongen kunnen vererven, terwijl ik in het tweede
geval eigenlijk alleen maar weet dat ik een goede leerling heb, waarbij de
jongen wellicht de mogelijkheid om te kopiëren van de vader erven, meer of
minder goed dan de zang van de voorzanger. Maar stel dat ik in het tweede
geval niet over de juiste voorzanger beschik, wat gebeurt er dan? Wat
kunnen we verwachten van de erfelijke aanleg van vogels die jaar in jaar
uit geselecteerd zijn op hun talent om te imiteren? Een ieder kan hier
zijn eigen mening over vormen, ik wil alleen nog attenderen op wat gebeurd
is met kwekers van de Waterslager, waarbij het, in tegenstelling tot de
Harzer of de Timbrado, tegenwoordig erg moeilijk is om zonder voorzanger
het repertoire te verkrijgen dat nodig is, of tenminste nodig om succes te
hebben bij de wedstrijden.
Nu we op dit punt aangekomen zijn, moeten we
verwijzen naar de twee fundamenten waarop wij ons baseren bij de moeilijke
taak om goede zangers te verkrijgen:
1) Ons doel is de ontwikkeling van
kanaries die, binnen de randvoorwaarden dieaangegeven worden in de
standaard van het ras en met een mooie en melodieuze klank,
een verstaanbaar lied brengen met een goede uitspraak en
muzikaal lied, gevormd door de beschikking over het geheel
aan mogelijkheden van zijn stem en brede toonregister,
met een serie of series van toeren zo rijk en gevarieerd
als mogelijk, met aandacht voor zijn organische en lichamelijke
beperkingen, en zonder ooit de kwantiteit boven de kwaliteit
te stellen.
2) De erfelijke aanleg van de kanarie
vormt de basis om een ongelimiteerde serie toeren voort te brengen.
Deze serie is weliswaar beperkt in aantal. De toeren worden gevormd
tot een melodie na een periode van oefening (plastische zang) en zijn
gedetermineerd door de morfologie van het exemplaar, die min of meer
passendis, en door de omgevingsfactoren tijdens het proces van het
volwassen worden.
Hiermee rekening houdende, zoeken we als kwekers
naar concrete doelen en methoden die het meest aansluiten bij onze ideeën.
Zo kunnen wij, als voorbeeld en ter illustratie, met het eerste
uitgangspunt als vertrekpunt om ons doel te bereiken, afhankelijk van onze
muzikale smaak en binnen de mogelijkheden die de standaard toelaat, ernaar
streven om exemplaren te kweken die een complete zang hebben. Een complete
zang in de zin dat ze zo mogelijk alle toeren dienen voort te brengen die
op de keurlijst omschreven staan (waarbij een complete zang niet verward
moet worden met een gevarieerde zang)
Maar ook kunnen we ernaar streven om exemplaren
te kweken waarbij de zang in de eerste plaats, kwantitatief of
kwalitatief, gevormd wordt door de niet continue toeren, en, op deze
wijze, streven naar een repertoire met een focus op de toeren van de
grootste muzikale waarde en met de hoogste puntenwaardering op de
keurlijst.
Als we daarbij de keurlijst van de Spaanse
Timbrado beschouwen, waarbij in dit voorbeeld een maximale waarde van 100
punten wordt aangehouden, kunnen we ons voorstellen wat de ideale kanarie
zal zijn bij drie verschillende kwekers, A, B, of C.
Stellen we ons eens voor dat A, die uit
Madrid afkomstig is, een voorkeur heeft voor exemplaren met een complete
zang. Kweker C, afkomstig uit Zaragoza, heeft een voorkeur voor
exemplaren die hun zang baseren op de onderbroken en afgezette toeren (dus
geen continue ritme) en B, de Andalucier, heeft een uitgesproken
voorkeur voor een soort zang tussen het een en ander, de zogenaamde "intermedio".
|
Keurlijst
|
A |
B |
C |
|
Timbres………………………………………(9) |
5 |
3 |
|
|
Variaciones Rodadas……………………..(18) |
9 |
4 |
|
|
Timbre de Agua…………………………….(9) |
5 |
3 |
|
|
Cascabel…………………………………….(9) |
4 |
|
|
|
Floreos………………………………………(27) |
16 |
20 |
23 |
|
Floreos Lentos……………………………...(27) |
17 |
22 |
25 |
|
Campana…………………………………….(9) |
3 |
|
|
|
Cloqueos…………………………………….(18) |
12 |
14 |
15 |
|
Castanuelas…………………………………(9) |
4 |
|
|
|
Variaciones Conjuntas…………………….(27) |
16 |
20 |
23 |
|
Agua Lenta………………………………….(18) |
3 |
6 |
7 |
|
Agua Semiligada…………………………….(9) |
3 |
5 |
4 |
|
Indruk…………………………………………(3) |
3 |
3 |
3 |
|
Totaal |
100 |
100 |
100 |
| |
Kweker A, B en C hebben allen als
doel om de zangkanarie Spaanse Timbrado te kweken, naar eigen smaak en
voorkeur maar binnen de standaard van het ras. Dit ondanks de opmerkelijke
verschillen die we in ieders voorstelling van de ideale vogel tegenkomen,
de drie visies op het ras zijn allemaal even waardevol. De visie van B
vormt op dit moment de meerderheid onder de Timbrado kwekers bij de FOCDE,
zo ook als vogel die we op de wedstrijden tegenkomen, hoewel we moeten
erkennen dat de kwekers in CTCZ (Zaragoza) zich het best identificeren met
visie C.
Maar we moeten niet vergeten dat de visies van
kweker B en C in zeker opzicht aanvullend zijn, dit is
ook duidelijk aangetoond met de ervaringen van onze kwekers. Immers B,
die selecteert op de niet-continue toeren, beschikt op een gegeven moment
over vogels die zingen volgens het schema van C. En C
beschikt, op het moment dat enkele van zijn vogels een continue toer
brengen, over vogels van het type B. Onafhankelijk van de ideale
keurlijst is het zo dat zowel B als C hun vogels selecteren
op de kwalitatieve en kwantitatieve verbetering van de toeren met een
onderbroken ritme. Bij A ligt dat anders. De ervaring heeft geleerd
dat het onhaalbaar is om enkel gebaseerd op de erfelijke aanleg van een
kanarie, zonder met voorzangers te werken, het hele repertoire van de
standaard (een onnatuurlijk zangschema, ontwikkeld door de mens) te
bereiken, tenminste in een ongeveer correcte vorm. Gegeven is deze
onmogelijkheid, wetenschappelijk aangetoond en luisterend naar de zang van
onze kanaries, waarbij of de continue toeren overheersen of
de onderbroken toeren overheersen.
We kunnen de aanwezigheid van de verschillende
ritmes in de zang weergeven als een balans, waarbij de basis gevormd wordt
door het afgezette ritme en op de balans aan de ene kant de continue
ritmes liggen en aan de andere kant de onderbroken ritmes.
Dit betekent dat als de balans aan de kant van de
toeren in het continue ritme zwaarder is, dat er dan minder toeren in het
onderbroken ritme zullen voorkomen en vice versa

Een juist evenwicht is
eigenlijk niet te bereiken, zelfs al zouden we onze vogels met voorzangers
trainen. We maken het onszelf dan enorm moeilijk, als we hier nog aan
zouden toevoegen dat de kanarie alle verschillende toeren uit de keurlijst
zou moeten brengen – of tenminste zoveel mogelijk toeren – die worden
weergegeven in dat onnatuurlijke zangschema zoals door de mens is
ontwikkeld, want dat is immers wat de standaard is. Uit deze gedachte komt
voort dat velen van ons voor de kwaliteit gaan en niet voor de kwantiteit.
Niet de hoeveelheid toeren telt, maar de kwaliteit van de toeren die
gebracht worden. We geven er de voorkeur aan om ons te richten op bepaalde
toeren en dat onze Timbrado’s, hierop gebaseerd, een rijke, gevarieerde en
kwalitatief goede zang brengen. En niet proberen alle toetsen van een
instrument aan te raken zonder dat er een goede noot ontstaat. Het beste
voorbeeld van wat hier gezegd wordt, vinden we bij de Harzer Roller.

Zijn tegenwoordige zang is
ontstaan uit een vergaande selectie door Duitse kwekers gebaseerd op
dominantie van de continue toeren, deze toer is de basis toer van de zang
van de Harzer Roller; en zeker, het is mooi, delicaat en niet te evenaren
op muzikaal gebied; buigingen in de roltoeren die de aandacht trekken van
de luisteraar.
Misschien iets wat enkele van de grondleggers van onze Timbrado wilden
imiteren met de ontwikkeling van de eerste standaard waarin de Timbre, een
toer met een continu ritme, de basis vormde voor het lied van de Spaanse
Timbrado. Wellicht was het ook juist om deze reden dat de internationale
erkenning in 1956 voor de Timbrado als zangkanarieras geweigerd werd, toen
men in de internationale commissie vaststelde dat het ras niet zuiver was
omdat kruisingen hadden plaatsgevonden met de Harzer Roller. De
specialisatie op continue toeren heeft er bij de Harzer Roller echter wel
toe geleid dat slechts een minimum van zijn repertoire gebracht wordt
(tenminste in de holle klassieke zangrichting)[1].

Zoals ik hiervoor al gezegd heb, zal elk van onze kwekers die methoden
gebruiken die het best naar zijn doel toe leiden, daarbij uitgaande van zijn eigen concept van ideale zang,
of, op zijn minst, ernaar streven om die vogels te verkrijgen die
het dichtst bij het gewenste type zang komen. Daarom, en ervan uitgaande
dat de kweekruimte (of ruimtes) waarin we onze kanaries houden aan de
eisen voldoet[2],
moeten we een aantal regels in acht nemen:
1) Maak een
zorgvuldige selectie van de kweekvogels, uitgaande van de karakteristieken
die we willen behalen in onze kanaries.
2) Stel de koppels
samen gericht op het doel om de aanleg tot bepaalde gewenste
karakteristieken te versterken.
3) Geef de kanaries
veel aandacht en verzorging voor, tijdens en na de kweek, zodat ze steeds
een optimale gezondheid genieten en wij een maximale bijdrage van de
vogels ontvangen in de verschillende fasen van hun levens cyclus.
4) Zorg voor een
omgeving waarin de jonge kanarie zich optimaal kan ontwikkelen en waarbij
voorkomen wordt dat de jonge kanarie volwassen kanaries kan horen en kan
imiteren.
Practisch is het zo
dat het werk van elke kweker van zangkanaries bestaat uit een steeds
weerkerende cyclus waarin de volgende fases te onderscheiden zijn:
 |
Selectie van de kweekvogels |
 |
Samenstellen van de koppels en de kweek. |
 |
Jongen in de vlucht |
 |
Opkooien in individuele kooien en rijping van de zang. |
 |
Training en wedstrijden……. en weer opnieuw beginnen. |
Elke fase is de
voorbereiding op de volgende fase en heeft een grote invloed op de fases
die volgen. Daarom is de som van het geheel zo belangrijk en mag onze
aandacht in geen enkele fase verslappen. Uiteindelijk kunnen we zo de best
mogelijke resultaten behalen. In elke fase zijn enkele doelen te bereiken,
als we in een fase falen zijn we onherstelbaar veroordeeld tot mislukking.
In deel 2 worden deze verschillende fasen beschouwd in relatie tot de
selectie voor de kweek.

Noten:
1)
Een Harzer in de holle zangrichting kan, volgens de klassieke kwekers, de
maximale punten bereiken als het repertoire gericht is op vier toeren uit
de keurlijst die fundamenteel zijn voor deze richting: Hohlrollen,
Knorren, Hohlklingel en Pfeifen (de eerste twee zijn continue toeren, de
volgende afgezet en de laatste onderbroken).
2)
Het zou ideaal zijn als we over verschillende ruimtes zouden beschikken
waar we vogels kunnen houden, maar vandaag de dag beschikken we vaak niet
over zoveel ruimte en moeten we het dus doen met wat mogelijk is.
Tenminste hebben we een ruimte nodig voor de volwassen vogels, voor na de
kweek, en een andere ruimte voor de jongen. We concentreren ons nu op de
ruimte waar de jongen vogels verblijven, waar ze de volwassen vogels niet
mogen horen. Het moet een rustige ruimte zijn, vrij van plotselinge
temperatuur veranderingen, goed te ventileren en met natuurlijk licht dat
in intensiteit te regelen is, bijvoorbeeld met behulp van luxaflex,
gordijn, luiken etc., steeds alert op wat de ontwikkeling van de zang
vraagt oftewel hoe de zang zich ontwikkelt. Zo mogelijk
plaatsen we een muziek apparaat aangesloten op een tijdklok om het
moeilijker te maken dat onze kanaries zich richten op de zang van de rest
van de vogels in de vlucht of op de zang van vogels buiten de ruimte
(vogels van de buren, wilde vogels zoals bijvoorbeeld de spreeuw).
|
|
Hoofdstuk 2 - Selectie van de
kweekvogels
2.1.
Introductie
Ik geloof dat het onnodig
is om te motiveren waarom de selectie van de juiste paren bij de kweek zo
belangrijk is, niet alleen bij het kweken van onze zangkanarie, maar bij
de fok met elke diersoort. In tegenstelling van wat in het wild gebeurt,
waar een natuurlijke selectie van de soort plaatsvindt op basis van het
beste aanpassingsvermogen, en in de grote volières waar nagelaten wordt om
paren te vormen en waar de vogels maar hun gang gaan, heeft de serieuze
kweker de moeilijke opgave om de juiste kweekvogels te selecteren en de
paren zo samen te stellen dat de gewenste eigenschappen waar de vogels
over dienen te beschikken maximaal tot uiting en ontwikkeling komen.
Vanzelfsprekend
zijn alle levensfasen van de kanarie bij de selectieve kweek van belang,
maar in de selectie van de juiste paren ligt de basis van ons werk; als we
in deze fase een fout begaan, is het mogelijk dat de genetische
eigenschappen niet goed vererven en dat ons werk, ondanks dat we de andere
fases perfect uitvoeren, tot mislukken gedoemd is.
De ervaring van de
kweker speelt uiteraard een bepalende rol als voor de kweker het moment
aanbreekt om de juiste paren te selecteren voor de kweek. Dat maakt het
voor de beginnende kweker praktisch onmogelijk om zijn gebrek aan ervaring
te compenseren met theoretische adviezen, zoals we in deze tekst gaan
tegenkomen. Maar ondanks dat we hier op heldere en duidelijke wijze uiteen
willen zetten wat de basis vormt en de uitgangspunten om de juiste
kweekvogels te selecteren, zonder de wedstrijden en hulp van ervaren
kweken zullen deze adviezen van weinig tot geen hulp zijn. In het begin is
het succes van een kweker direct af te meten aan zangkanarie kwekers die
hem op weg hebben geholpen. Het is zelfs in deze eerste jaren nog
belangrijker te beschikken over een goede technische begeleiding dan over
kanaries die beschikken over een enorm goede genetische kwaliteit. We
hebben er niets aan om exemplaren aan te schaffen van bewezen hoge
kwaliteit, als we niet weten wat met die vogels te doen om maximale
kweekresultaten te behalen.
Maar dan nog, veel
veteranen onder ons zijn toch niet in staat om op de juiste wijze
kweekvogels te selecteren en de juiste kruisingen op te zetten. Hoewel ze
soms over vele jaren ervaring beschikken, en de zang van het ras door en
door kennen, over een groot muzikaal gehoor beschikken en ware meesters
zijn in het op de juiste wijze verzorgen van de kanaries in al zijn
levensfases, van de jonge kanaries die hun eerste gemurmel laten horen,
via de fase van de plastische zang, tot het moment dat de zang gesloten
wordt.
Daarom is het zo
belangrijk dat er samenwerking tussen kwekers onderling ontstaat, wat je
ziet gebeuren bij zovele kleine verenigingen of speciaalclubs, waar de
verbetering van het ras als doel voor een ieder centraal staat (onder
zulke omstandigheden, bij dit soort groepen van kwekers met een doel,
ontstaat vaak een gezonde en solidaire Kanariekweek-cultuur, gebaseerd op
wederzijds vertrouwen en de onderlinge wil om elkaar te helpen). Het
bestaan van dit soort verenigingen verklaart hoe vele kwekers de vruchten
van het succes al kunnen plukken als beginnend kweker zonder ervaring,
waarbij het zonder bijeenkomsten en hulp van de rest van de vereniging,
zeker vele jaren geduurd zou hebben om datzelfde niveau te bereiken. Als
de beginnende kweker tenminste niet al eerder de handdoek in de ring
geworpen zou hebben, er genoeg van hebbende om elk jaar weer nieuwe
kanaries te kopen en steeds weer opnieuw tegengestelde adviezen te krijgen
zonder een enkel resultaat te behalen. De beslissing om op een andere
soort over te stappen of zelfs om de liefhebberij te verlaten, zou dan
voor de hand liggen.
2.2 Doelen
“Ons
doel is het kweken van kanaries die, binnen de randvoorwaarden die worden
aangegeven in de standaard van het ras en met een mooie en melodieuze
klank, een verstaanbaar lied brengen met een goede uitspraak en muzikaal
lied, gevormd door de beschikking over het geheel aan mogelijkheden van
zijn stem en brede toonregister, een serie of series van toeren zo rijk en
gevarieerd als mogelijk, met aandacht voor zijn organische en lichamelijke
beperkingen, en zonder ooit de kwantiteit voor de kwaliteit te stellen.”
Dit doel is
algemeen voor alle kwekers van zangkanaries, onafhankelijk van het ras dat
ze kweken.
2.2.1.
Parameters van de zang, volgens de standaard van het ras.
Fundamenteel is het om, binnen de
standaard van het ras, te bepalen welk type zang wij wensen voor onze
kanaries. Want alleen al binnen ons zangkanarie ras, hebben we gezien dat
we drie verschillende zangrichtingen kunnen tegenkomen, die allen stuk
voor stuk uitgaan van de toeren die op de keurlijst vermeld staan.
Nogmaals samengevat spreken we over:
1) Kwekers die
zoeken naar de zang die uit alle, of tenminste uit zoveel mogelijk, toeren
bestaat die voorkomen op de keurlijst. Hun ideale keurlijst ziet er als
volgt uit:
|
Keurlijst |
|
Timbres…………………………………….......(9) |
5 |
|
Variaciones Rodadas………………..….(18) |
9 |
|
Timbre de Agua……………………….......(9) |
5 |
|
Cascabel…………………………………........(9) |
4 |
|
Floreos…………………………………….......(27) |
16 |
|
Floreos Lentos………………………….....(27) |
17 |
|
Campana………………………………….......(9) |
3 |
|
Cloqueos…………………………………......(18) |
12 |
|
Castanuelas……………………………….....(9) |
4 |
|
Variaciones Conjuntas………………….(27) |
16 |
|
Agua Lenta……………………………….....(18) |
3 |
|
Agua Semiligada…………………………...(9) |
3 |
|
Indruk……………………………………….......(3) |
3 |
|
Totaal |
100 |
2) Kwekers die het lied van hun vogels
selecteren op basis van het ritme van de niet continue toeren (dus de
onderbroken toeren), om zo te bewerkstelligen dat het lied gevarieerd
wordt en bestaat uit een veelheid van verschillende toeren waarvan de
fonetische tekst ongelimiteerd is. Hun ideale keurlijst ziet er als volgt
uit:
|
Keurlijst |
|
Timbres……………………………………........(9) |
|
|
Variaciones Rodadas………………..….(18) |
|
|
Timbre de Agua……………………….......(9) |
|
|
Cascabel…………………………………........(9) |
|
|
Floreos………………………………….......…(27) |
23 |
|
Floreos Lentos………………………….....(27) |
25 |
|
Campana…………………………………........(9) |
|
|
Cloqueos…………………………………......(18) |
15 |
|
Castanuelas………………………………......(9) |
|
|
Variaciones Conjuntas………………….(27) |
23 |
|
Agua Lenta……………………………….....(18) |
7 |
|
Agua Semiligada…………………………....(9) |
4 |
|
Indruk……………………………………….......(3) |
3 |
|
Total |
100 |
3)
Tot besluit, de kwekers die van gecombineerde zang houden, ergens tussen
de eerste en de tweede in, zoekende naar de onovertroffen schoonheid van
de toeren die onderbroken zijn en fonetisch ongelimiteerd, zonder zich te
storen aan de aanwezigheid van continue (ononderbroken) toeren in het
lied. Hun ideale keurlijst ziet er dan zo uit:
|
Keurlijst |
|
Timbres…………………………………….......(9) |
3 |
|
Variaciones Rodadas………………..….(18) |
4 |
|
Timbre de Agua……………………….......(9) |
3 |
|
Cascabel…………………………………........(9) |
|
|
Floreos…………………………………….......(27) |
20 |
|
Floreos Lentos………………………….....(27) |
22 |
|
Campana………………………………….......(9) |
|
|
Cloqueos…………………………………......(18) |
14 |
|
Castanuelas……………………………….....(9) |
|
|
Variaciones Conjuntas………………….(27) |
20 |
|
Agua Lenta……………………………….....(18) |
6 |
|
Agua Semiligada…………………………....(9) |
5 |
|
Indruk……………………………………….......(3) |
3 |
|
Total |
100 |
Over persoonlijke
smaak valt niet te twisten, er zijn geen voorschriften hieromtrent en de
standaard van de Timbrado voorziet erin om recht te doen aan de drie
generieke varianten die hierboven omschreven worden en ook aan zoveel
ideale keurlijsten als er kwekers bestaan.
De kwekers die deel
uitmaken van de Vereniging van zangkanariekwekers in Zaragoza (“Cesaraugusta”)
identificeren zich in de groep kwekers die onder twee omschreven staan,
waarbij onze ideale keurlijst er dus als volgt uitziet:
|
Keurlijst |
|
Timbres…………………………………….......(9) |
|
|
Variaciones Rodadas………………..….(18) |
|
|
Timbre de Agua……………………….......(9) |
|
|
Cascabel…………………………………........(9) |
|
|
Floreos…………………………………….......(27) |
23 |
|
Floreos Lentos………………………….....(27) |
25 |
|
Campana………………………………….......(9) |
|
|
Cloqueos…………………………………......(18) |
15 |
|
Castanuelas……………………………….....(9) |
|
|
Variaciones Conjuntas………………….(27) |
23 |
|
Agua Lenta……………………………….....(18) |
7 |
|
Agua Semiligada…………………………....(9) |
4 |
|
Indruk……………………………………….......(3) |
3 |
|
Totaal
|
100 |
Bij de vereniging
van zangkanariekwekers “Cesaraugusta”, proberen we ons doel als volgt te
bereiken. Alle kwekers van zang, passen selectie toe gebaseerd op het
verbeteren van de toeren in het niet-continue ritme, dat wil dus zeggen
dat we selecteren op de onderbroken toeren. In onze kweekverblijven
sluiten we dus die vogels uit van de kweek die zang brengen in het
continue ritme, hetzij als hoofdtoer of als bijtoer (bijvoorbeeld de
timbres met metaalklank en de Variaciones Rodadas, de roltoeren). De meest
strikte en consequente kwekers zullen alle vogels van de kweek uitsluiten
die in hun lied, al is het maar heel even, een toer in het continue ritme
brengen. De specialisatie in de toeren van het niet continue ritme (de
onderbroken toeren) gaat samen met een verrassende ontwikkeling van de
mogelijkheden van onze kanarie. De kanarie brengt vervolgens enorm veel
variatie in toeren, met het niet te evenaren en aangeboren muzikale talent
van de Spaanse zangkanarie. Voor wie deze zang voor het eerst hoort is het
praktisch onmogelijk om niet stil te blijven staan en zich af te vragen
hoe het mogelijk is dat zo’n klein diertje in staat is, zo uit zichzelf,
deze prachtige en breekbare melodieën te componeren zonder dat deze zang
op onnatuurlijke wijze is aangeleerd. Uiteraard zijn het slechts weinige
kanaries die in staat zijn om deze bijzondere zang te brengen, minder dan
wij zouden wensen, maar elk jaar zijn het meer exemplaren die te
voorschijn komen uit de zware selectie die wij ze laten ondergaan.
Om ons doel nog
concreter weer te geven: wij willen kanaries verkrijgen die zang brengen
vanuit hun genetische aanleg, zonder hulp van volwassen exemplaren,
waarbij de zang gebaseerd is op de rijke en gevarieerde toeren van het
niet continue ritme (dus het discontinue ritme), waarbij de fonetisch
ongelimiteerde toeren de zang overheersen (Floreos, Floreos Lentos en
Variaciones Conjuntas), en voorgedragen in een goed en melodieus lied,
waarin het mogelijk is om de lettergrepen te onderscheiden, met een goede
uitspraak. Het lied vormt zo een meesterlijk muzikaal geheel, een
manifestatie van de volledige beheersing van de mogelijkheden van het
stemgeluid
en van het brede toonregister, een serie of verschillende series van
toeren zo rijk en gevarieerd mogelijk, alleen beperkt door wat de
zangorganen kunnen en door lichamelijke beperkingen. Daarbij zal nooit het
aantal toeren (kwantiteit) belangrijker zijn dan de kwaliteit van de
toeren.
Het is goed om nog
even in herinnering te brengen, hetgeen al eerder gesteld is maar van
essentieel belang bij onze selectie, namelijk:
“De erfelijke
aanleg van de kanarie vormt de basis om een onbeperkte serie toeren voort
te brengen. Deze serie is weliswaar beperkt in aantal. De toeren worden
gevormd tot een melodie na een periode van oefening (plastische zang) en
zijn gedetermineerd door de morfologie van het exemplaar, die min of meer
geschikt is, en door de omgevingsfactoren tijdens het proces van het
volwassen worden.”
Wij werken aan de
verbetering van het geen erfelijk bepaald is, de zogenaamde genetische
aanleg van de zang, door alleen die vogels te selecteren en voor de kweek
in te zetten die afkomstig zijn uit familielijnen die hun zang baseren op
het niet-continue of onderbroken ritme, en waarbij de mannen duidelijk hun
talenten getoond hebben in deze bepaalde zangrichting.
2.2.2. De klank
Het moge duidelijk
zijn dat de basis van elke zangkanarie gelegen is in zijn klank. Een goede
klank impliceert een perfect zangapparaat, een werkelijk zeer
gecompliceerd geheel, waarin een groot aantal organen met elkaar
samenwerken.

De lucht die
verzameld wordt in de longen en in de luchtzakken wordt door de kanarie
uitgestoten. Voordat de lucht in de traquea komt, waar ze verspreid wordt
over de bronchiën, komen we de syrinx tegen, het zangorgaan van de vogel,
dat wel vergeleken wordt met onze larinx.
De syrinx bestaat
uit een complex orgaan, dat functioneert dankzij een bijzonder systeem van
spiertjes,
dat
samentrekt als de luchtdruk buiten de syrinx, de inhoud van de luchtzak
(interclaviculae) die om de syrinx heen ligt, druk uitoefent doordat een
soort membranen (timpaniformes
genoemd) gespannen worden en vibreren op het moment dat de lucht er langs
glijdt die afkomstig is uit de longen. En zo wordt het geluid dan
geproduceerd.
De toon of de frequentie van het geluid varieert afhankelijk van de
activiteit van de spieren in de syrinx, reagerend op meer of minder
spanning in de membranen (timpaniformes). Het geluid passeert vervolgens
de traquea, waar die ook nog eens gemodificeerd kan worden. Traditioneel
verdedigde men dat de klank van het geluid gevormd kon worden in de
traquea door samentrekken of ontspannen van deze, maar de wetenschap hecht
niet veel waarde aan deze veronderstelling.
Bij het passeren van de larynx, afhankelijk ervan of deze meer of minder
open is, kan de toon ook nog aan vervorming worden blootgesteld.
Tot slot komt het
geluid aan bij de keeluitgang en de snavel, waar naar wij geloven,
de
definitieve articulatie plaatsvindt en de transformatie naar de
verschillende klanken die wij horen en die, afhankelijk van de duur van de
klank, structuur en complexiteit, door ons onderverdeeld worden in
lokroep, schreeuw of zang
.
Ook noemen we nog
de keelzak van de man die als klankkast gebruikt wordt (de keel die gevuld
wordt met lucht en daarmee effect heeft op de uitgang van de traquea, en
op deze wijze de klank mede vorm geeft.)
In navolging van
het bekende “Kweek en zang van de Harzer Roller”, van Evaristo Fratantoni,
noemen sommige Spaanse auteurs en ook sommige Zang Standaarden de
onderstaande fysieke factoren die de zang beïnvloeden
 |
De omvang van
de bronchiën. Brede bronchiën veroorzaken een verlies van snelheid
waarmee lucht uitgestoten kan worden; het tegenovergestelde gebeurt
bij smalle bronchiën,
die lucht met meer snelheid kunnen uitstoten. |
 |
De lengte van
de buitenste traquale spier. Als deze kort is kan de traquea
onmogelijk uitrekken.
Een korte traquea of met minder mogelijkheid om te rekken beïnvloed de
klank van het geluid. |
 |
De stijfheid
van de wanden van de traquea, waarbij de flexibiliteit eveneens de
klank
van de het lied beïnvloedt. |
 |
De positie van
de larynx. Omdat in de larynx zich geen stembanden bevinden, kan deze
meer geopend of meer gesloten zijn en zo ook de klank beïnvloeden.
|
We hebben nu gezien dat de opinie van
wetenschappers niet volledig overeenkomt met de observaties van Fratantoni,
maar we geloven dat het passend is om bovenstaande te citeren, zodat de
lezer er kennis van kan nemen.
Het complexe zangorgaan dat we hiervoor omschreven hebben, staat onder
controle van het centrale zenuwstelsel, waarbij twee principale
hersenkernen essentieel zijn: het Superieure Vocale Centrum (in het engels
HVC) en de robustus archistrialis (RA)
Noot
bij de vertaling: In de oorspronkelijke tekst wordt hier nog dieper
ingegaan op de lichaamsbouw van de kanarie in relatie tot de zangorganen..
Het gaat me te ver om dit te vertalen: – erg specialistisch en in een
terminologie die alleen gebruikt wordt onder wetenschappers in een
gespecialiseerd vakgebied. Ik heb de vrijheid genomen om een pagina over
te slaan.
Een deel van de
hersenen wordt gerelateerd aan de mogelijkheden die de vogel heeft om te
leren, de gave om te herinneren. Recente studies laten zien dat voor het
herinneren van een lied een dubbel mechanisme een rol speelt: in de eerste
plaats het zanggeheugen dat een rol speelt bij de ontwikkeling van de
zang, wat geuit wordt in de plastische zang of studiezang, en in de tweede
plaats het zanggeheugen dat een rol speelt bij het horen van zang van
andere kanaries. Beide mechanismes interveniëren, aangetoond door het feit
dat een kanarie zonder gehoor, niet in staat is om normale zang te
ontwikkelen, wat zonneklaar aantoont dat de vogel zijn eigen zang moet
kunnen horen om de klanken te herhalen en daarmee een lied te componeren.
De wetenschappers,
waarbij Fernando Nottebohm eruit springt, (aan hem danken we de meeste
studies over de wijze waarop het zenuwcentrum de zang bepaalt) hebben
aangetoond dat tijdens de seksuele ontwikkeling van de vogel er een
verandering in omvang plaatsvindt in de hersenen van de vogel, speciaal in
het Bovenste Vocale Centrum en in het RA. De omvang van de SVC en van de
RA is bij de mannen veel groter dan bij de poppen. Ook is aangetoond dat
de omvang van deze centrale zenuwcentra een directe relatie heeft met het
gehalte aan hormonen in de bloedbaan, vooral de mannelijke hormonen: het
testosteron: hoe hoger het hormoongehalte, hoe groter de omvang van deze
centrale zenuwcentra.
Ook is de omvang van deze centrale zenuwcentra wel gerelationeerd met zang
van grotere of minder grote complexiteit, variëteit in of de duur van de
zang. Echter een grotere omvang van SVC of RA, impliceert niet direct een
rijkere zang, het ontbreken ervan wil alleen zeggen dat de vogel niet in
staat is zich te ontwikkelen.
[Noot bij de vertaling: Zie ter verduidelijking het schema van Nottebohm
hieronder, dat in de oorspronkelijke tekst niet is opgenomen]

Terugkerend naar de
hipoglose zenuwen, die, zoals we gezien hebben, de zenuwen zijn die de
informatie overbrengen tussen de syrinx en de hersenen, waarbij de rechtse
hipogloseum de rechterhelft van de syrinx beheerst en de linker
hyplogloseum de linkerhelft. Dit verklaart voor de wetenschappers het
onafhankelijk van elkaar functioneren van elk van de delen van de syrinx.
Hoe het ook zij, de
wetenschappers hebben laten zien dat bij het functioneren van de syrinx de
interventie tussen elk deel van de syrinx ongelijk is, waarbij het de
linkerkant van de syrinx is die het grootste gewicht in de schaal legt bij
het produceren van geluid, zowel bij kanaries als bij alle zangvogels (het
stemorgaan wordt gedomineerd door de linker helft).
De gerealiseerde
studies laten zien, dat bij het niet functioneren van de rechter zenuw
hypogloseum, in de zangstructuur elementen ontbreken, die dan vervangen
worden door een ruis of door stilte; in tegenstelling bij beschadiging van
de linker zenuw, dan verdwijnen de meeste elementen in de zangstructuur.
Het effect op de zang van de beschadiging van de linker zenuw, is
afhankelijk van het ontwikkelingsstadium van de vogel op het moment dat de
beschadiging plaatsvindt.
Tijdens de murmelfase (Pre zang):
Na een korte tijd, zal de jonge vogel alsnog normaal zijn zang
ontwikkelen, de rechter zenuw neemt het functioneren van de linker zenuw
over. De linkerzenuw herstelt niet, hoewel er enkele uitzonderingen op de
regel zijn, waarbij de kanarie helaas tot de uitzonderingen behoort. Als
de beschadiging voor de zevende levensdag optreedt, herstelt de zenuw zich
en zullen beide kanten van de syrinx gebruikt worden om zang ten gehore te
brengen (er zullen geluiden door het rechterdeel geproduceerd worden en
andere geluiden waarbij beide helften interveniëren.
Tijdens de studiezang:
De vogel is voor het leven getekend, omdat hij niet de typische zang
ontwikkelt van de volwassen vogel. De kanarie is opnieuw een uitzondering,
omdat de kanarie in staat is het verlies aan de linkerkant op te vangen
met de rechterkant, en in staat is om zijn zang te sluiten als elk ander
volwassen exemplaar.
Tijdens de stabiele volwassen zang:
De geluiden die door de linkerkant geproduceerd worden, worden vervangen
met stiltes of ruis.
In de zoektocht naar de beste dragers van erfelijke eigenschappen op het
gebied van de zang, hebben de kwekers naar zichtbare eigenschappen
gezocht, die zouden betekenen dat de zangvogels over betere eigenschappen
beschikken. Voorbeelden hiervan zijn:
- een grote kop
- een brede borst
- de gemiddelde grootte
- de wijze waarop de kanarie ligt als hij
zingt
De eerste drie
morfologische eigenschappen lijken, de hiervoor genoemde studies in
aanmerking genomen, een indicatie te geven voor een grotere hersenomvang,
een beter ontwikkeld ademhalingssysteem en zang die beter ontwikkeld is,
meer muzikaal, niet scherp, niet te hard.
2.2.3. Conclusies
1) We moeten zoeken
naar de perfectie in de zang van onze kanaries. Het timbre, de klankkleur,
moet rijk zijn en overeenkomen met de karakteristieken van de toeren die
we in het repertoire van onze kanarie willen ontwikkelen. Een kanarie zou
over een zo breed mogelijk toonregister moeten beschikken of moeten kunnen
ontwikkelen. Bovendien, moet de zang zo ontwikkeld worden dat de geschikte
intensiteit op het juiste moment gebracht wordt, met mogelijkheden om te
moduleren en een lied dat bestaat uit prachtige muzikale toonstukjes.
De zang die door onze kanaries gebracht wordt, moet schoon en zuiver
zijn, met een excellente uitspraak van de lettergrepen (waarbij de
klinkers overheersen, dat is muzikaler dan als de medeklinkers overheersen) en
met toeren die juist lang genoeg aangehouden worden om gewaardeerd te worden in het lied
en zonder repeterende toeren die het lied monotoon maken.
2) We streven ernaar om vogels te verkrijgen
waarbij de zang zo
nauw mogelijk onze ideale keurlijst benaderd. Om dat te verkrijgen, moeten
we werken aan het basispatroon in het lied van onze kanaries. Dit doen we
door in principe de toeren die niet continue zijn te ontwikkelen.
Als we ons zouden richten op de afgezette toeren of de semi-discontinue
toeren, zou dit door de versnelling (ritme!) in het lied een duidelijk verlies aan
muzikaliteit tot gevolg hebben
2.3 Wijze van selectie; de selectie van
kweekvogels.
Er bestaan
verschillende methoden van selectie, die de kweker kan gebruiken,
afhankelijk van het doel dat hij wil bereiken. Hier richten we ons op een
integrale selectiewijze, die de selectie op basis van het fenotype
combineert met functionele selectie en selectie op basis van genetische
kenmerken.
Ons primaire doel
is zeker het verbeteren van de zang, versterkt door het morfologische type
van de vogel die de fysieke zangmogelijkheden ten goede komen. Daarnaast
de genetische selectie en de opbouw van een goede zanglijn, de functionele
selectie dus, waarbij het zonder goede conditie van de vogel, gezondheid
en vitaliteit onmogelijk is om een bevredigende zang te ontwikkelen. Onder
selectie van het juiste fenotype verstaan we die selectie op uiterlijke
kenmerken en waarbij het ideaal beeld ontstaat zoals eerder omschreven .
Om die functionele
selectie te realiseren, is het duidelijk hoe belangrijk het is om een
perfecte omgeving te creëren, waarbij onze vogels onder hygiënische
omstandigheden goed kunnen floreren. Deze karakteristieken faciliteren de
kweek, gegeven dat de waarde van een goede reproductie een indicatie geeft
voor de functionele selectie. Bij wijze van voorbeeld noemen we enkele van de parameters die we gebruiken om de
functionele waarde van de kweekvogels vast te stellen, in relatie tot
individuele karakteristieken en familiekenmerken: de overlevingskans van
netgeborenen, de groei, de ontwikkeling, nest verlaten en leeftijd dat de
jongen zelfstandig eten, vitaliteit, resistent tegen ziektes, gedrag in
het nest, vruchtbaarheid, etcetera. De opmerkingen op een kweekkaart maken het ons makkelijker om de
functionele waarde vast te stellen, hoe meer gegevens we verzamelen, hoe
beter bruikbaar de registratie zal zijn.
Tenslotte passen we
ook genetische selectie toe, functioneel gebaseerd op het fenotype en de
functionele waardering van de voorouders van onze vogel, waar we nog aan
toe kunnen voegen, tenminste bij volwassen exemplaren, de afstamming (de
genetische vererving). Ook kunnen we hierbij de fenotypsche
karakteristieken van andere verwanten in aanmerking nemen (broers, neven,
enzovoort). Ook moeten we niet vergeten om een analyse van de
bloedverwantschap te maken, waarin we verschil aangeven, hoewel de
realiteit complexer is, tussen bloedverwantschap in rechte lijn (tussen 1e
en 2e graad verwanten), half verwant (tussen 3e en 4e
graads verwantschap) of ver verwant (vanaf de 5e graad en verder) .
We moeten de mate van verwantschap
in graden niet verwarren met de mate van genetische verwantschap, dit
laatste lezen we af met het gebruik van redelijk ingewikkelde wiskundige
formules, soms moeilijk toepasbaar door de kruisingen die we uitvoeren.
Het meest adequate
instrument om de functionele genetische waarde vast te stellen van een
familie of van een bloedlijn, is het gebruik van een stamboom van de vogel.
Net als bij de kweek registratie
kaart, is het van belang om de stamboomgegevens zo uitgebreid mogelijk op
te nemen. Hoe meer gegevens de stamboom geeft, hoe bruikbaarder de
gegevens voor de kweker zullen zijn. Als gegevens ontbreken, is de
stamboom alleen maar bruikbaar voor de kweker zelf, maar heeft in de
meeste gevallen geen grote meerwaarde voor anderen.
Binnen de methode
van integrale selectie zullen we soms meer gewicht toekennen aan de ene
vorm van selectie, soms meer aan de andere vorm van selectie. Dit hangt
uiteraard af van welke aspecten van onze kanaries we willen verbeteren.
Als we bijvoorbeeld tijdens de kweek ervaren dat er serieuze problemen
ontstaan, die te wijten zijn aan achteruitgang van de reproductieve
eigenschappen, dan ligt het voor de hand dat we bij de fenotypische en bij
de genotypische selectie daar juist op letten, om te voorkomen dat het
werk van vele jaren verloren zal gaan. We zullen dan enkele jaren juist
moeten selecteren met als doel om de reproductieve eigenschappen te
verbeteren.
In sommige
gevallen, gebruiken we exemplaren met een onbevredigende zang om de genen
van een uitstekende bloedlijn te behouden, waarbij we dus meer letten op
de genetische afstamming dan op de kenmerken van het fenotype.
2.4.- Selectie van de mannen
De selectie van de
mannen realiseren we door het voorgaande toe te passen, waarbij we gebruik
maken van de volgende parameters:
1º) Afwezigheid van
voorzang met meesterzangers of audio weergave.
2º) De perfectie
van de stem, waaraan inherent is het timbre oftewel de klankkleur met een
te onderscheiden weergave van de tonen, die een goed zangapparaat en een
goede gezondheid manifesteert.
3º) Een lied dat
gedragen wordt door de klinkers, met daarbij een correcte controle over de
tonen en de intensiteit van de zang en goede uitspraak.
4º) Het muzikale
talent of de vaardigheid, die gemanifesteerd wordt door een voordracht met
rustpunten, ritmisch en melodieus, met rijke modulatie in de tonen en in
de intensiteit in het lied en verschillende toeren of variaties, die van
een juiste duur zijn en samen het lied vormen van de kanarie.
5º) De voordracht
van een gevarieerd repertoire, gebaseerd op de niet continue toeren, met
de basis in de discontinue toeren die ongelimiteerd zijn (de Floreos,
Floreos Lentos en Variaciones Conjuntas) aangevuld met andere toeren die
niet continue zijn, zoals de Clocqueos en een minimaal snufje van de
Timbre in water (bij voorkeur Agua Lenta en Semiligada in de Variaciones
Conjuntas met Cloqueos)
.
6º) Een repertoire
zonder negatieve toeren (rascada, estridencia en nasalidad); degeneratieve
tonen (dat zijn de tonen die fonetisch zo gevormd zijn dat ze het risico
van negatieve toeren als rascada, estridencia en nasalidad in zich dragen,
bijvoorbeeld de medeklinkers Ch, R en G; en de klinkers E, I en A, als ze
tenminste niet vergezeld gaan van andere fonetica, die de klank verzacht);
en van toeren die in het continue ritme gebracht worden
(deze toeren mogen
in ieder geval geen deel uitmaken van de basisstructuur en ook geen
steuntoeren zijn in het lied);
Echter, wanneer een exemplaar een toer in het continue ritme brengt die
slechts kort aangehouden wordt, bij het begin of aan het eind van zijn
lied, of in de uitloop van een floreo of variacion conjunta die op R
eindigt, zonder daarbij afbreuk te doen aan de toeren van het discontinue
ritme, kunnen we de toer tolereren. Als daarentegen bij de nakomelingen
van deze vogel een toename van de toeren in het continue ritme optreedt,
dan is het zaak om dit exemplaar van de kweek uit te sluiten, ervan
uitgaande dat we teveel afwijken van de zangrichting waarnaar we streven.
Als kweekvogel is een vogel die zichzelf herhaald en een minder gevarieerd
repertoire brengt maar zonder fouten, te prefereren boven een vogel met
een rijk repertoire en veel variatie, maar met defecten.
7º) De rol van de
vogel in de vlucht, de hiërarchische positie (een dominant of een niet
dominante vogel)
.
8º) Een geschikt
morfologisch type (grote kop, brede borstkas, brede rug, gemiddelde maat,
korte poten, gladde bevedering, compact en glanzend…) en een zanghouding
zoals het hoort (horizontaal). Volgens Giorgio de Baseggio, vererft de man
aan zijn afstammelingen in negen van de tien gevallen, de onderstaande
karakteristieken:
·
Afmeting
(een forse, gemiddelde, of een kleine vogel).
·
Glans en
kwaliteit van de bevedering.
·
Postuur
(de wijze waarop de vogel zijn harmonische schoonheid ten toon spreidt
in de vlucht)
9º) Hoewel
impliciet volgend uit het voorgaande: een perfecte gezondheidstoestand.
10º) De
kweekregistratie en de stamboom die getuigen van de aanwezigheid van de
genoemde fenotypische, genetische en functionele kenmerken bij de
voorouders van de vogel of bij zijn afstammelingen (in het geval van een
volwassen exemplaar) en andere verwanten, waarmee een garantie wordt
gegeven dat de gewenste kenmerken vererven in de volgende generatie.
Het is alleen maar mogelijk om alle genoemde parameters te kennen, als het
vogels uit onze eigen kweek betreft, of vogels van een bevriende kweker
die je honderd procent kunt vertrouwen. In de rest van de gevallen moeten
we afgaan op goed geloof en de eerlijkheid van de kweker waarvan we vogels
willen verkrijgen.
Als de keuze valt op een man van een andere kweker dan is zowel de
correcte uitspraak en analyse van de zang van belang als ook kennis van de
omgevingsfactoren die invloed hebben uitgeoefend vanaf de geboorte tot aan
het sluiten van de zang (de afwezigheid van voorzang, horen van andere
vogels van de kweker, de kennis van de kweker over zijn vogels, de ruimte
waar de vogels gehouden zijn, de voeding, etc.) en uiteraard, de stamboom
op papier (met zo mogelijk een beoordeling erbij van de zang en van het
fenotype dat de vogel vererft) .
We selecteren nooit als kweekman een man
waarover we geen enkele garantie hebben over zijn genetische waarde, al
zingt hij nog zo mooi. We moeten dan bedenken dat zijn zang mogelijk is
aangeleerd met voorzang en dan hebben we geen enkele garantie dat het
zangtype eigen is aan de vogel (er zijn lijnen speciaal geselecteerd op de
vaardigheid om goed te imiteren, vogels die getraind kunnen worden met
exemplaren van de ene en van de andere zangrichting, zonder probleem, dit
zijn vogels die er juist op zijn geselecteerd om geen eigen stamlied te
brengen ).
2.5.- Selectie van de poppen
De selectie van de poppen is nog complexer en
moeilijker dan de selectie van de mannen om een voor de hand liggende
reden: de mannen zingen en we kunnen zijn zangkwaliteiten waarderen als
goed of minder goed, maar bij de pop kan dat niet. Bekijken we eens de
parameters waarop we de poppen selecteren in veel gevallen op het oog
overeenkomend met die van de mannen.
1º) Afwezigheid, in de kweekruimte, van voorzangers of audio weergave van
de zang.
2º) Selecteer poppen die passen bij de geselecteerde kweekman, twee poppen
voor elke man (het is de beginnende kweker aan te raden om bij een en
dezelfde kweker de mannen en de poppen te halen en om zich bij de keuze te
laten adviseren).
3º) De poppen moeten uit dezelfde zangrichting afkomstig zijn als de
mannen aan wie ze gekoppeld worden. Om te beoordelen of de zangrichting
van de man en de pop overeenkomstig is, moeten we letten op overeenkomsten
in de fonetische uitspraak, de klankkleur oftewel het timbre van de stem,
aan de ene kant en aan de andere kant het basispatroon van het lied die de
soorten toeren determineert die de kanarie kan brengen. Om de geschiktheid
van de zangrichting van het lied te beoordelen, letten we in het geval van
de pop in de eerste plaats op het lied van de broers. Om te beoordelen of
het basispatroon van het lied overeenkomt, analyseren en waarderen we de
zang van de vader en van de broers en halfbroers van de vader, daarbij
lettende op de parameters die hierboven genoemd worden onder 2º en 7º
.
4º) Waardeer de kwaliteit en complexiteit van de roep van de pop, en van
andere geluiden die ze voortbrengt, te gebruiken als indicatie voor de
kwaliteit van haar zangorgaan.
5º) Een morfologisch juist type vogel (grote kop, ruime borstkas, brede
rug, gemiddelde grootte, korte pootjes, gladde bevedering - compact en
glanzend). We zetten de poppen in om morfologische onvolkomenheden te
corrigeren die de mannen laten zien, of in het algemeen om het type te
verbeteren. Volgens Giorgio de Baseggio draagt de pop in negen van de tien
gevallen erfelijk de onderstaande karakteristieken over:
- het type
- het kopje
- het formaat
- de lichaamsbouw
6º) Functionele staat van de pop, reproductieve eigenschappen. Lettende op
de functie die de pop heeft, is het van essentieel belang om te weten hoe
de poppen afkomstig uit een bepaalde lijn of van een bepaalde familie,
zich gedragen bij de reproductie. Als slechte verzorging voorkomt in de
familie, dan kunnen we ons al veel leed besparen door enige pleegmoeders
achter de hand te houden.
7º) Een geboortekaart en afstammingsgegevens, die getuigen van de
fenotypische karakteristieken, genetische en functionele karakteristieken
die hiervoor genoemd zijn in de ouders, afstammelingen (als het een
volwassen exemplaar betreft) en andere familieleden, als een garantie dat
haar erfelijke kenmerken overgaan op volgende generaties.
De hierboven genoemde aandachtspunten
moeten in beschouwing genomen worden, zowel bij de selectie van poppen uit
eigen kweek, als bij de selectie van de pop die van een andere kweker
afkomstig is.
2.6.-Selectie van pleegmoeders
Bij de kweek van
zangkanaries is het beste dat de pop alleen haar jongen kan groot brengen
(waardoor we de risico’s van kopiëren uitsluiten). Dit vergt echter van de
pop wel een grote inspanning, en vereist van de kweker dat hij overtuigd
is van de kwaliteiten van de pop.
Om dit hoofdstuk te
besluiten, besteed ik nog aandacht aan de selectie van pleegmoeders, een
belangrijk onderwerp op de agenda van elke kweker die met vergaande
selectie werkt.
Drie motieven om
met pleegmoeders te werken:
1º) Poppen die niet
zelf de jongen verzorgen kunnen meer eieren leggen (waarbij het niet aan
te raden is om meer dan vier keer te laten leggen, en met een tussentijdse
rustperiode van twee weken) en kunnen meer jaren reproductief zijn.
2º) De fenotypische
en genotypische selectie op basis van de zang, kan veroorzaakt hebben dat
de reproductieve kwaliteiten van de poppen niet voldoende zijn.
3º) Als we over een
lijn beschikken die van zeer hoge kwaliteit is, kunnen we het resultaat
van de kweek niet laten afhangen van een enkele zorgvuldig geselecteerde
pop, als het essentieel is dat we juist uit een bepaalde combinatie
nakomelingen verkrijgen.
Als we niet over
een familiegroep beschikken, waarbij de poppen over hele goede
reproductieve kwaliteiten bezitten, kunnen we ook geen goede pleegmoeders
selecteren. Het is dan nodig om op een andere manier aan goede
pleegmoeders te komen. Uiteraard selecteren we dan daarbij alleen op de
eigenschappen die van een pleegmoeder vereist worden.
Hoe meer in onze
lijn een vergaande selectie is toegepast, en ook bij een grote mate van
bloedverwantschap, hoe meer het nodig zal zijn om met pleegmoeders te
werken. Ik denk dat we nooit over genoeg pleegmoeders kunnen beschikken,
want al hebben we verschillende goede poppen achter de hand, in de
kweekperiode kan het altijd gebeuren dat er een pop uitvalt, waarvan we
het niet verwacht hadden (al kweekt een bepaalde pop het ene jaar goed,
dat geeft nog geen garantie dat de pop het jaar daarna weer goed kweekt.
Het komt voor dat de pop in het ene jaar 7 – 8 jongen in een nest groot
brengt, als ze echter niet de juiste verzorging krijgt tijdens de rui en in de
winter, dan zal ze in de broedperiode niet een jong groot brengen).

Noten:
[16]
We onderscheiden
directe afstamming in rechte lijn (de relatie tussen individuen die
van elkaar afstammen: overgrootouders, grootouders, ouders,
kinderen..) en stamverwantschap (waarbij de individuen niet van elkaar
afstammen, maar wel een gemeenschappelijke stam hebben ooms, tantes,
neven, nichten). Om de graad van verwantschap te benoemen van een
exemplaar met een ander, telt men, uitgaande van het exemplaar, het
aantal generaties tot de afstamming in vertikale lijn, het nummer dat
daar uitkomt is de verwantschapsgraad. Hier volgt een praktisch
voorbeeld:
|
2◦ |
♂A
|
X
|
♀B
|
|
♂C
|
X
|
♀D
|
|
1º
|
|
♂E
|
|
X
|
|
♀F
|
|
|
|
|
♂Z
|
|
|
Als Z de vogel is waar we van uitgaan, dan
hebben E en F, zijn ouders, een 1e graads verwantschap in rechte lijn,
terwijl A, B, C en D 2e graads verwant zijn aan Z.
Kijken we nu nog eens naar een andere
genealogische stamboom:
|
2◦ |
♂A
|
X
|
♀G
|
|
♂H
|
X
|
♀I
|
|
1º
|
|
♂J
|
|
X
|
|
♀K
|
|
|
|
|
♂Y
|
|
|
Bestaat er verwantschap tussen Z en Y, en als er
al verwantschap bestaat, in welke graad dan? Goed, als we naar de
stamboom kijken, dan zien we dat beide vogels een gemeenschappelijke
voorvader hebben, namelijk man A, van beide vogels de grootvader (we
noemen deze vogels dan volle neven, omdat hun respectievelijke vaders
halfbroers waren van vaderskant). Volgens de hiervoor omschreven
regels zien we dan dat tussen A en Z een tweede graads verwantschap
bestaat en tussen A en Y ook een tweede graads verwantschap, waardoor
tussen Z en Y een stamverwantschap bestaat van de vierde graad.
A2
E1 J3
Z
Y4
[17]
Zie ook de stamboom gegevens over vier generaties in de bijlage. Nadat
we gebruik hebben gemaakt van de gegevens over vijf of zes generaties,
zijn we tot de conclusie gekomen dat de gegevens van vier generaties
van belang zijn; het is namelijk zo dat vanaf de vijfde generatie het
statistisch percentage van de aanwezige genen van de voorouders, tot
een minimum gereduceerd is:
[22] Zoals we hier laten
zien, is de dominante rol van de vogel in de volière erg belangrijk,
want als het een van de dominerende vogels betreft, dan werd zijn
zangstudie door de andere minder dominante mannen als referentie
gebruikt; dat betekent meer garantie dat zijn zang erfelijk is, omdat
hij immers vanaf het begin de zang bepaalde en dat zijn broers in de
vlucht, min of meer meegelift hebben op zijn ontwikkeling. Daarom is
het belangrijk om te weten welke mannen de leiding hadden in elke
vlucht, al is zijn zang uiteindelijk inferieur aan die van zijn
broers, we weten dan dat deze vogel zijn zang op basis van zijn eigen
genetische eigenschappen gevormd heeft, en dat hij dus mogelijk van de
grootste genetische waarde is.
[23] Het is algemeen bekend
dat als een kweker niet over voldoende ruimte beschikt, hij de zang
van de volwassen mannen niet apart kan verzorgen. In zulke gevallen
moeten we hulp vragen aan familie of vrienden die dan onze volwassen
vogels kunnen opvangen, al zouden ze zelf kanaries van het type
"balkonzingertje" hebben, waarop de invloed van onze vogels merkbaar zal
zijn na de rui. In totaal, wat de vogel genetisch bij zich draagt zal hij
behouden en er is
altijd bepaalde bruikbare informatie te halen uit de zang van de
volwassen exemplaren, al zijn de vogels gedegenereerd en al lijken ze
nog maar weinig op het oorspronkelijke materiaal dat we uit handen
moesten geven.
[26] Als de zang
gedetermineerd wordt door het geslacht (op basis van een stijgende
hormoonspiegel), nemen we de hypothese als uitgangspunt, uiteraard te
bediscussiëren, dat de genen die het basispatroon van het lied
determineren, gekoppeld zijn aan het geslacht (aan het Z chromosoom).
Dit betekent dat de pop aan haar zonen de informatie overbrengt die
vastligt op het mannelijke chromosoom dat ze geërfd heeft van haar
vader. Echter,
de zang wordt bepaald door een veelheid van genen, waarvan een heel
aantal niet eens direct met de zang in verband gebracht kunnen worden
(bijvoorbeeld die genen die invloed uitoefenen op morfologische
kenmerken die op de een of andere manier een relatie hebben met de
zang).
Bijlage 1
Afstammingsgegevens
Bijlage 2
Kweekkaart
|
|
Hoofdstuk 3 Methoden om de
koppels te vormen -
1. Inleiding.
Als de kweekvogels eenmaal geselecteerd zijn, en
soms zelfs al eerder, breekt het moment aan om vast te stellen op welke
wijze we de koppels moeten vormen. Daarbij houden we steeds ons doel voor
ogen en stellen de koppels zo samen, dat we vogels kunnen verwachten die
ons in vervoering brengen met hun schone zang en discontinue melodieën.
Zoals we eerder gesteld hebben bij de selectie van
de kweekvogels, moeten we nu ook onderscheid maken tussen de beginnende
kweker en de ervaren kweker.
De beginnende kweker zal ernaar moeten streven om de
basiskennis en ervaring te verkrijgen, genoeg om een goede kweekplanning
te maken van de koppels en om met succes te kweken. In de meeste gevallen
is het hen aan te bevelen om voor het samenstellen van de koppels te
vertrouwen op de aanwijzingen van de kweker die hem aan de vogels geholpen
heeft.
In de eerste jaren werken we alleen met de
afstammelingen van onze eerste koppels. Daarbij blijven we steeds alert op
de doelen die we willen behalen. En al voegen we geen vogels van andere
kwekers aan ons bestand toe, we kunnen niet zonder de raad van de ervaren
kweker. Aan hem moeten we advies vragen bij het maken van de combinaties.
Op deze wijze verkrijgen we de minimale bagage die nodig is om met succes
te kunnen kweken.
En als de jaren dan voorbij gaan, hoeveel jaren
daarvoor nodig zijn is afhankelijk van de tijd en aandacht die we aan onze
hobby besteden en van onze interesse en mogelijkheden, leren we de
basisregels te beheersen. We winnen aan onafhankelijkheid totdat we
zelfstandig in staat zijn om een eigen kweekstrategie op te zetten. Al
blijft het altijd zinvol om ideeën te bespreken met andere kwekers die
zich al gekwalificeerd hebben, immers het gezegde is: twee weten meer dan
één.
In de voorliggende tekst benaderen we het thema van
het samenstellen van de koppels vanuit het traditionele gezichtspunt voor
de kweek met kanaries, selectie en verbetering van de genetica van de
vogel. De kweker van zangkanaries weet echter dat juist bij de zang
dergelijke theorieën met grote voorzichtigheid toegepast moeten worden, ze
gaan meer op voor de kleur- en postuur kanaries. Daar is op dit terrein
een grote voortgang geboekt, door de toepassing van theorie; vergeleken
met kleur en postuur staat de toepassing van deze kennis bij de zang nog
in de kinderschoenen. En als we er goed over nadenken, kan dat ook niet
anders. In alle gevallen zijn de omgevingsfactoren van belang, maar wel in
het bijzonder bij de zangkanarie. Het is onmogelijk om al deze
verschillende omgevingsfactoren onder controle te houden; we moeten ons
erbij neerleggen dat we slechts een aantal omgevingsfactoren kunnen
beheersen.
Vaak echter zijn de omgevingsfactoren zodanig
verstorend, dat het uiteindelijke resultaat dat we behalen en beluisteren
in de zang van onze vogels niet de werkelijke weergave is van de
genetische kwaliteiten waarover onze vogels beschikken.
In de zogenoemde "driehoek van het leven" opgesteld
door Walter, en geciteerd door Giorgio de Baseggio wordt nog een stap
verder gezet dan de traditionele opvatting: fenotype = genotype +
omgevingsfactoren.
Opvallend is dat Walter de voeding een cruciale
invloed toekent, door de voeding een eigen plek toe te kennen in de
driehoek. Het was tot dan toe gebruikelijk om voeding te scharen onder de
omgevingsfactoren.

Ervaringen hebben duidelijk uitgewezen dat Walter
gelijk heeft en dat de voeding deze eigen plek zeker verdient door zijn
belangrijke invloed, zeker net zo groot als het geheel aan andere
omgevingsfactoren en het genotype. Walter
verdedigt de stelling dat om onze doelen te behalen met selectie, we eerst
een goed evenwicht moeten verkrijgen tussen de drie zijden van de driehoek
van het leven.
Als kwekers van zangkanaries weten we heel goed dat
door het toepassen van het juiste systeem om koppels te vormen, we de
gewenste genetische eigenschappen bij onze vogels kunnen vastleggen. Maar
als we daarbij niet de omgevingsfactoren en de voeding onder controle
houden zullen we uiteindelijk niets bereiken.
In dit artikel laten we zien hoe het mogelijk
is om te spelen met het vormen van koppels, met als doel om in onze vogels
de gewenste genetische eigenschappen vast te leggen, zonder daarbij de
overige invloedsfactoren uit het oog te verliezen.
2.- Methoden voor
reproductie
Een manier om de wijze
waarop koppels gevormd kunnen worden weer te geven, is door onderscheid te
maken in verwante koppels en open koppels.
|
Verwante koppels (close breeding)
|
 |
Nauwe bloedverwantschap (inbreeding)Brede bloedverwantschap (linebreeding)
|
|
Open koppels (out breeding)
|
 |
Twee verschillende bloedlijnen
Terugkruisen
Kruisen om eigenschap te versterken
Eigenschap eruit kruisen (absorberen)
Koppel met overeenkomstig fenotype
Koppel met aanvullend fenotype |
2.1 Verwante koppels
Zoals de naam al aangeeft berust deze methode op het
samenstellen van koppels die één of meer voorouders gemeenschappelijk
hebben, en die daarom, meer of minder genetische eigenschappen delen,
afkomstig van deze gedeelde familie afstamming. Om koppels te vormen in
bloedverwantschap werd in Spanje traditioneel veel gebruik gemaakt van de
zogenaamde “Tafels van Felch”. Genoemde tafel laat de verschillende
mogelijke koppels zien die we kunnen vormen, met een onverwant beginkoppel
als basis en de theoretische resultaten die we kunnen behalen, vanuit
genetisch oogpunt, door de koppels te vormen zoals is aangegeven. Dit
systeem is gebaseerd op de genetische wetten van Mendel en eerdere
bewegingen in de wetenschap van de genetica. Later zijn ook fenomenen
duidelijk geworden die afwijken van de wetten van Mendel en die de
percentages in de Tafel van Felch versterken, zoals bijvoorbeeld o.m.
crossing-over en linkage. Hoe het ook zij, vandaag de dag zijn er nog veel
kwekers die de Tafel van Felch gebruiken als referentiekader, ter
oriëntatie, op het moment dat de koppels samengesteld moeten worden. In
sommige teksten wordt de Tafel weergegeven als een schema hoe de koppels
samen te stellen uitgaande van een man met twee poppen, inclusief de
mogelijkheid om “vers” bloed in te brengen (twee verschillende
bloedlijnen). Hieronder staan twee van de meest voorkomende weergaven van
de Tafels van Felch, de schema’s hoeven niet toegelicht te worden, gezien
de eenvoud en duidelijkheid.


Schema koppelen van broedparen volgens de tafel van Felch
2.1.1 Koppelvorming in nauwe
bloedverwantschap (In-breeding).
Bestaat uit het koppelen van
vogels die familie van elkaar zijn in de eerste of in de tweede graad.
Daarbij is het belangrijk om onderscheid te maken in koppelen in verticale
lijn (vogels die rechtstreeks van elkaar afstammen: overgrootouders,
grootouders, ouders, zonen/dochters….) en koppelen in horizontale lijn
(waarbij geen rechtstreekse afstamming bestaat, maar wel een
gemeenschappelijke voorouder: broer/zus, halfbroer/halfzus, ooms, tantes,
neven, nichten…) De graad van verwantschap tussen twee vogels stelt men
als volgt vast. Men telt bij verticale afstamming uitgaande van de eerste
vogel, het aantal generaties dat er tussen beide vogels bestaat. Bij een
horizontale lijn telt men het aantal generaties vanaf het eerste exemplaar
(waarbij net als bij verticale lijn de eerste vogel niet meegeteld wordt)
tot de gemeenschappelijke voorouder en vervolgens telt men verder tot men
bij de tweede vogel komt. Het nummer is dan de graad van verwantschap.
Praktisch voorbeeld: Als vogel Z het studieobject is, zijn E en F zijn
ouders, waarmee Z een verticale verwantschap heeft in de 1º graad, terwijl
A, B, C y D, de grootvaders een 2º graad verwantschap hebben.
|
2º ♂A
X ♀B
♂C
X
♀D
1º
♂E
X ♀F
♂Z
|
Zien we hier nog een andere
genealogische weergave:
|
2º ♂A
X ♀G
♂H
X
♀I
1º
♂J
X ♀K
♂Y
|
Bestaat er nu verwantschap tussen Z
en Y, en als die bestaat, in welke graad dan? Als we de afstamming
beschouwen, zien we een gemeenschappelijke voorouder, A, grootvader van
beide vogels (het zijn dus volle neven, omdat hun vaders halfbroers zijn
langs vaderskant). Als we de regels van verwantschap toepassen, dan zien
we dat tussen Z en A twee graden zitten, en tussen A en Y ook twee. Tussen
Z en Y bestaat dus een verwantschap in de vierde graad.
2

Zoals hiervoor is omschreven, is
er in het geval van kweek in nauwe bloedverwantschap sprake van koppeling
van vader-dochter of moeder-zoon (in de eerste graad) van kleinkinderen
met grootouders (in de tweede graad) of van halfbroer – halfzus (tweede
graad).
Het moge duidelijk zijn dat we
het hier hebben over de vorming van koppels in bloedverwantschap die het
meest ver is doorgevoerd, of, op een andere manier gezegd, zullen de
jongen het grootste aantal genen delen en daarom, de meeste kans geven op
een homogene aanwezigheid van de gewenste karakteristieken.
Toepassing van deze vorm van
koppelen in nauwe bloedverwantschap is gebruikelijk om bepaalde
eigenschappen van vogels vast te leggen, door deze vogels te koppelen aan
hun verticale afstammelingen: zonen/dochters en kleinzonen/kleindochters.
Daarbij raad ik de beginnende
kwekers deze vorm van koppelen in nauwe bloedverwantschap af in meer dan
twee generaties. Het voorbijgaan van deze grens van twee generaties, moet
alleen uitgevoerd worden door ervaren kwekers. Het vormen van koppels in
nauwe bloedverwantschap is de snelste weg om gewenste eigenschappen vast
te leggen, maar ook worden de ongewenste eigenschappen vastgelegd en
eveneens de recessieve eigenschappen zoals letaalfactoren en
subletaalfactoren. Stel dat de vogels die we voor de kweek geselecteerd
hebben dragers zijn van negatieve genetische karakteristieken, dan kan de
nauwe bloedverwantschap deze fouten al versterken in de eerste generatie,
waardoor we misschien al direct gedwongen zijn de ingeslagen weg te
verlaten. We zien verderop een manier om dit te voorkomen.
2.1.2 Koppelvorming in brede
bloedverwantschap (Line breeding).
Een manier om de voordelen van
het kweken in bloedverwantschap te benutten en de nadelen die vroeg of
laat opduiken te beperken, is het vormen van koppels in brede of in half
open bloedlijnen, of in goed Nederlands lijnenkweek (in het engels
linebreeding).
Half open bloedverwantschap is
het koppelen tussen de 3 º en de 4º graads verwantschap. Brede
bloedlijnen, dat wil zeggen in verwantschap tussen de 5º en de 10º . Vanaf
de 11º graad wordt ervan uitgegaan dat de verwantschap zo ver weg is dat
er geen sprake meer is van bloedverwantschap.
Het is logisch, dat hoe verder
weg de graad van verwantschap ligt, hoe minder kans bestaat dat
gezamenlijke genen voorkomen in de vogel, maar ook hoe minder kans dat de
gewenste genetische combinatie voorkomt en de kans is dan ook kleiner dat
het beoogde doel bereikt wordt. De experts onder ons zullen zeggen dat het
kweken in een brede bloedverwantschap weinig effectief is in de kweek
waarbij op hoog niveau streng geselecteerd wordt.
In de praktijk wordt het kweken
in nauwe bloedverwantschap gebruikt om de gewenste eigenschappen vast te
leggen, terwijl de kweek in brede bloedlijnen gebruikt wordt om de
gewenste eigenschappen in het bestand te behouden, min of meer in pure
vorm, zolang mogelijk zonder bloed van buiten te introduceren.
Samengevat bestaat het kweken in
half open en brede bloedverwantschap uit verticale koppelvorming
(overgrootouders met achterkleinkinderen, overovergrootouders met
achterachter-kleinkinderen…..) te gebruiken om een bloedlijn uit nauwe
bloedverwantschap te vernieuwen, om teveel opeenstapeling van dezelfde
genen te voorkomen, of om zekere karakteristieken te versterken. Het
belang van deze vorm van koppelvorming ligt in het verbreden van de
genetische variatie en de heterogeniteit.

Schema waarin de vormen van
koppelvorming bij nauwe bloedverwantschap, bij brede bloedverwantschap en
bij het inbrengen van " nieuw bloed". Ontleend aan G. De Bassegio (werk
dat reeds in de bronvermeldingen genoemd is).
2.2. OPEN KOPPELS
Nu volgen voorbeelden van
koppelvorming, die hier alleen genoemd worden voor de volledigheid, maar
voor de meeste van ons zijn ze niet nodig of van veel mindere relevantie
om toe te passen. Soms, in enkele gevallen, is de mogelijkheid om deze
wijze van koppelvorming te gebruiken voorbehouden aan kwekers met heel
veel ervaring om bepaalde hele concrete doelen te verwezenlijken.
2.2.1. Kruisingen
Het gebruik van de term
"kruisingen" roept zonder twijfel weerstanden op. Voor velen van ons is
het zuiver houden van het ras een bijna heilige aangelegenheid, het pure
ras en raszuiverheid zijn termen die veelvuldig voorkomen bij de kweek met
vogelsoorten, maar de techniek van kruisen kent echter praktische
toepassingen.
Dalton, bijvoorbeeld stelde vast
dat "Als de eigenschappen eenmaal vastgelegd zijn en de genetische
eigenschappen homogeen zijn, als het fenotype gelijk is en in sommige
gevallen ook de wijze waarop de soort zich heeft aangepast aan specifieke
omstandigheden, dan is er bij zo’n groep dieren sprake van een bepaald
ras. Dit ras heeft dan een gezamenlijke genetische stam, waarbij de
introductie van nieuwe genetische eigenschappen alleen kan gebeuren door
kruisingen met andere soorten of rassen van dezelfde soort." De
handleidingen om soorten te verbeteren of te veredelen maken ook gebruik
van kruisingen.
In deze handleidingen maakt men
onderscheid tussen bastaarden en kruisingen. De bastaard is de vrucht van
een vergissing, een koppel dat gevormd is zonder concreet doel of opgezet
programma. De kruising daarentegen is de vrucht van een opgezet
kweek-programma waarmee bepaalde doelen beoogd worden. De experts
gebruiken kruisingen zowel met het doel om nieuwe rassen te verkrijgen,
als ook om bepaalde karakteristieken in te brengen waarmee een al bestaand
ras verbeterd wordt (en dan worden kruisingen ook nog gebruikt om vogels
te verkrijgen die een grotere commerciële waarde hebben, dan het ras in
zijn pure vorm).
Maar let op, het kruisen van
soorten of rassen is echt een riskant werk, want als dit kruisen niet met
een enorme selectie gepaard gaat en onder uiterste controle in een
geïsoleerde groep uitgevoerd wordt, dan wordt het tegenovergestelde effect
bereikt van hetgeen gewenst is: bastaarden ontstaan en maken het ras
onzuiver. Wij raden deze vorm van kruisingen dan ook ten sterkste af, al
gaan we hieronder nog verschillende kruisingsvormen beschouwen. Het doel
hiervan is om kennis te nemen van de vererving.
We kunnen de volgende vormen van
kruisingen onderscheiden:
a) Tussen
verschillende soorten.
b) Tussen
verschillende rassen.
c) Tussen
stammen, lijnen en verschillende families.
Ad a) Tussen verschillende
soorten:
Deze vorm van kruisen past men
toe om karakteristieken van de ene soort in te brengen bij de andere
soort, in ons geval de kanarie (normaal gesproken handelt het om het
inbrengen van genetische karakteristieken die de kwaliteit bevorderen,
dus, afkomstig van een paar of enkele genen). Het is in de eerste plaats
zaak om een vruchtbare hybride te verkrijgen, de F1, waarmee vervolgens
terugkruisingen opgezet moeten worden. Er moet dan streng geselecteerd
worden op de gewenste karakteristiek en gedurende ten minste drie
generaties terugkruisingen uitgevoerd worden op kanaries, familie van de
voorvader, tot aan de vierde generatie (de R3 oftewel de F4 worden dan
weer als pure kanarie beschouwd). Hieronder is het grafisch weergegeven:
|
Kapoetsensijs X Kanarie
F1 (50 % Kanarie) X
Kanarie
R1 (75 % kanarie) X
Kanarie
R2 (87,5 % Kanarie) X Kanarie
R3 = (93,75% Kanarie) |
De R3 wordt al als een zuivere
kanarie beschouwd.
Bovenstaande kruising heeft bij de kweek van
kleurkanaries een essentiële rol gespeeld, om kanaries met de roodfactor
te kweken en ook bij de kweek van mozaïeken (kruisingen tussen de
Kapoetsensijs - carduelis cucullata- en de kanarie); met de inzet van een
kruising met een ander soort vogel uit Zuid Amerika (bijvoorbeeld een
zwarte vogel uit Bolivia -carduelis atrata-) probeert men de kleurkanarie
Jaspis te verkrijgen en tevens door kruisingen met de carduelis
magellanicus. Zo heeft men ook kruisingen uitgevoerd met de Europese
kanarie (serinus serinus) om de tekening die gevormd wordt door melanine
te versterken. Ook in de postuur kweek is gebruik gemaakt van kruisingen.
Al is dit niet bewezen, denken sommigen dat de Lizard in het verleden
ontstaan is uit een kruising met een ander soort. In de miniatuur rassen,
bijvoorbeeld bij de kleine Raza Española, heeft men gebruik gemaakt van de
Europese kanarie (serinus serinus) om de grootte van de vogel te
verkleinen; het misbruik en de neveneffecten van deze kruisingen, hebben
geleid tot problemen tussen de kwekers en de keurmeesters van het ras Raza
Española, met argwaan worden de groene exemplaren in de wedstrijden
bekeken, omdat de experts stellen dat ongewenste neven effecten van dit
soort kruisingen meer voorkomen dan de voordelen. Tot slot, bij de zang,
stelde Drove de hypothese dat de oorsprong van de tegenwoordige Harzer,
gelegen is in de hybride met de Europese kanarie, de groenling en de
Citroensijs. Drove stelde deze hypothese gestaafd te hebben, doordat hij
met kruisingen van deze soorten het beoogde resultaat opnieuw kon
verkrijgen. In het geval van de Timbrado Español is bekend dat enkele
kwekers kruisingen geprobeerd hebben met de citroensijs, met de Europese
kanarie, en met de Edelzanger (serinus leugopygius) en andere afrikaanse
serinus typen, zoals de Kaapse Kanarie (serinus canicollis) of de
Geelbuikkanarie (serinus flaviventris), naar men zegt is hier overigens
geen enkel bevredigend resultaat mee behaald.
Op een dag kwam bij mij ook het idee op om een experiment uit te voeren
met de kruising met één van de Afrikaanse zangvogels. Maar na een goede
analyse van het lied van deze verre neef van onze kanarie en een vergelijk
van dat lied met het lied van onze discontinue vogels, moest ik
concluderen dat vandaag de dag, met de genetische ontwikkeling die we
doorgemaakt hebben en met de perfecte zang van onze discontinue kanaries,
een dergelijke kruising van geen enkele toegevoegde waarde zou zijn. Alle
waardevolle zang elementen zijn te vinden in het lied van onze eigen
discontinue kanaries.
Het zou een andere zaak zijn om dit type
kruisingen uit te voeren tussen soorten, om de erfelijkheidsmechanismen
bij de zang vast te stellen, maar dat zou dan een puur wetenschappelijk
experiment moeten zijn, een experiment zonder verdere bedoelingen en zeker
niet met als doel de introductie van vreemde karakteristieken in onze
kanaries. Mijn overtuiging is dat dit niets zou toevoegen, integendeel,
een bastaard zou ontstaan met gevaarlijke en niet te voorziene gevolgen.
Ad b) Tussen verschillende rassen
Dit soort kruisingen realiseert men in de kanariekweek voornamelijk om
bepaalde karakteristieken van een ras op een ander ras over te brengen of
om een nieuw ras te ontwikkelen. In gespecialiseerde tijdschriften kunnen
we regelmatig voorbeelden van dit soort kruisingen tegenkomen, vooral bij
de Postuur kanarie; Het is werkelijk leerzaam om te lezen, hoe door een
vast kweekplan te volgen van complexe kruisingen tussen twee of drie
rassen, en daarbij een strenge selectie toe te passen, vele
postuurkanarierassen zijn ontstaan, die we nu op onze wedstrijden zien. De
postuurkanarierassen ontwikkelden zich zelfs zo snel, dat de COM zich
gedwongen zag om de procedure van de erkenning van nieuwe rassen te
verzwaren, omdat veel van de nieuwe rassen nog kenmerken van andere rassen
in zich droegen. Op de wedstrijden zouden zelfs gespecialiseerde
keurmeesters met zulke vogels anders de fout in gaan (het is bekend dat
bij enkele rassen, afhankelijk van het verkregen fenotype, de kweker
besluit in te zenden in de ene of in de ander categorie).
Bij de zang is veel gespeculeerd over de
wijze waarop kruisingen hebben plaatsgevonden tussen de verschillende
rassen, zonder dat daar echter iets van zeker vast te stellen is.
Net zoals ik gesteld heb met betrekking tot het kruisen tussen soorten,
zou het correct zijn om dit soort experimenten uit te voeren, maar enkel
en alleen om te bestuderen op welke wijze vererving in de zang
plaatsvindt; studie is het enige en exclusieve doel. Andere redenen zijn
uitgesloten. De ervaring heeft allang geleerd dat kruisingen tussen
zangvariëteiten voor de wedstrijden altijd slecht uitpakken.
Het is zeker dat enkele begaafde kwekers in staat zijn gebleken om
bepaalde karakteristieken te introduceren in de zang, door het volgen van
het schema van kruisingen waar absorptie plaatsvindt met daarbij het
toepassen van een strenge selectie; maar het aantal exemplaren dat
onnadenkend verkocht is of weggegeven en vervolgens in de kweek terecht is
gekomen, viel in handen van minder begaafde kwekers. Vervolgens
veroorzaakte de kweek met vogels die niet raszuiver waren een toename van
karakteristieken die aan andere rassen toebehoren. De laatste jaren is het
aantal vogels in bepaalde streken gevaarlijk toegenomen, dat
gediskwalificeerd moet worden op basis van karakteristieken uit het
Waterslager lied, zowel bij kwekers van klassieke Timbrado’s, als bij de
kwekers van de intermediaire en discontinue vogel.
Ad c) Tussen familiegroepen,
lijnen, stammen.
Op basis van genetische afstamming is onderscheid te maken in :
 |
Variëteiten: Een groep die
zich kenmerkt door een verschil van morfologische kenmerken, maar die
echter niet afwijken van de basiskenmerken van een bepaald ras. |
 |
Familiegroepen: een
gesloten populatie van dieren van een bepaald ras of variëteit, gevormd
door een kweker op basis van reproductie binnen de groep, zonder de
introductie van materiaal van buiten. |
 |
Lijnen: Een lijn binnen een
familiegroep bestaat uit een aantal kweekdieren die om een bepaalde
reden geselecteerd zijn om mee door te kweken onafhankelijk van de rest
van de familiegroep. |
 |
Families: Verschillende
verwante takken binnen een lijn.
|
We moeten erkennen dat bij de kweek
met de discontinue kanarie en met de zangkanarie in het algemeen, deze
technische termen niet zo gebruikelijk zijn. Vaak worden de termen als
variëteit, familiegroep en lijn door elkaar gebruikt en met elkaar
verward. Het klinkt ons dan ook vreemd in de oren om simpelweg te stellen
dat binnen de discontinue zang de verschillende tendensen representanten
van verschillende variëteiten zijn. Binnen deze variëteiten ontstaat een
familiegroep, als een kweker in een brede bloedlijn werkt en zonder
exemplaren van buiten te introduceren, tot op het moment dat alle
exemplaren min of meer dezelfde karakteristieken vererven. Het gaat bij
een lijn dan dus om een specifieke groep vogels van een bepaalde kweker,
met zijn specifieke karakteristieken en verschillen, en daarbinnen zijn
nog de verschillende takken in de lijn te benoemen waarmee in een
geïsoleerde kweekgroep gewerkt wordt. De verschillende takken in een
gesloten lijn zijn representatief voor een familie. In het besef dat het
enigszins geforceerd klinkt, zijn deze concepten moeilijk toepasbaar in
onze kweek. Het is moeilijk om de bestaande kweektechnieken die gebruikt
worden bij het verbeteren van rassen toe te passen op onze eigen vogels,
omdat deze uitgaan van grote groepen dieren en niet van de aantallen die
wij in onze kweekruimtes houden.
Het soort kruisingen waar we het hier over hebben, wordt gerealiseerd
tussen verschillende variëteiten van een zelfde soort, tussen
verschillende familiegroepen, tussen verschillende lijnen of tussen
verschillende families, en dan zonder dat er een verwantschap bestaat die
kleiner is dan in 11º graad. Immers, anders zouden we spreken over een
brede bloedverwantschap en niet over een open kruising. Logischerwijs zijn
deze concepten ontwikkeld bij het fokken van vee en ze zijn dan ook soms
moeilijk toepasbaar in onze kweek. In onze broedruimtes, komt de
gemiddelde bloedverwantschap meestal niet verder weg dan de 5º of 6º graad
van verwantschap.
2.2.2. Twee verschillende bloedlijnen
Dit is de kruising die wel bekend is
als "bloed verversen" of om "nieuw bloed (genen) in te brengen".
2.2.3 Terugkruisen
Dit is de kruising van een F1 met
één van zijn voorouders die raszuiver was.
2.2.4 Versterkende of
absorberende kruising
In navolging van Dalton delen we
deze kruising in een groep in, op basis van gelijkenis. "De kruising om
een eigenschap te versterken, gebruiken we als een kweker terugkruist met
de oorspronkelijke drager van een genetische eigenschap, op zoek naar
nieuw genetisch materiaal". Dit soort kruisingen is gerealiseerd door
kwekers die wilde kanaries in hun kweek hebben ingezet, met de intentie om
in het lied van hun kanaries andere nuances aan te brengen en dus niet om
"bloed te verversen".
De absorberende kruising ziet er als
volgt uit. Stel voor dat een kweker een vogel wil kweken van een ras dat
erg moeilijk te verkrijgen is, of erg duur, en hij wil vanuit een enkel
exemplaar toch deze vogels kweken. Hij zou dan de raszuivere man, die we
vogel A noemen, koppelen aan de pop van het andere ras, vogel B, en dan
volgens het onderstaande schema werken, met rigoureuze selectie op het
fenotype, altijd selecterende op de kenmerken van vogel A.
|
1) Exemplaar ras A X Exemplaar vogel B
2) F1 (50 % ras A) X Exemplaar ras A
3) R1 (75 % ras A) X Exemplaar ras A
4) R2 (87,5 % ras A) X Exemplaar ras A
 | R3 (93,75 % ras A) wordt beschouwd als
een raszuiver exemplaar |
De kruisingen om een bepaalde
eigenschap te versterken, zijn uit te voeren met hetzelfde schema. Het
probleem begint, als men in de tweede generatie al goede resultaten
verkrijgt. De kwekers lijken dan te vergeten dat de R1 nog steeds een
halfproduct is en nog geen eindproduct. En dat, ook al is het nog zo’n
goede vogel, er doorgegaan moet worden met het koppelen op de pure
voorouder om de kruising goed uit te werken en het gewenste resultaat vast
te leggen. Dit moet tenminste tot de R3 generatie gebeuren. Als dat niet
gebeurt, dan ontstaat een populatie bastaarden, waarbij noch de
eigenschappen van het ene ras, noch de eigenschappen van het andere ras
zuiver zijn.
Dit is precies wat er gebeurd is
bij sommige kwekers die een wilde kanarie ingezet hebben in de kweek. De
goede resultaten die al verkregen werden in de R1 generaties (foutief
benoemd als F2), werden gebruik voor kruisingen van R1 en R2 vogels. Een
hele nauwe kruising, waardoor de genen van de wilde vogel versterkt
werden. Populaties bastaarden ontstonden, waarbij de vooruitgang na
generaties van selectie met de gedomesticeerde kanarie met enkele
kruisingen teniet werd gedaan.
Om dit te voorkomen, moeten we de
kruisingsschema’s die we hiervoor gezien hebben precies volgen.
In de kruising om eigenschappen
te versterken met de wilde kanarie, is het mogelijk om twee doelen na te
streven:
 |
nuances in het lied
brengen |
 |
nieuwe genen
inbrengen in ver doorgefokte populaties |
Als we het over deze kruisingen
hebben, onafhankelijk van wat we nastreven, is er, om met Rafael Martinez
Bouzo te spreken, een snelle weg en een langzame weg. Deze
twee wegen zijn gebaseerd op de theorie "een goede man geeft een goede pop
en een goede pop geeft een goede man"; een weg die stap voor stap
bewandeld wordt door Santiago Iso Gracia. Zoals ik uitgelegd heb in
"Beschouwingen rond de erfelijkheid van de zangkanarie", gaat mijn
hypothese nog verder en ga ik ervan uit dat de genen die het zangtalent
bepalen, gekoppeld zijn aan de genen die het geslacht van de vogel bepaald
(dat wil dus zeggen, gekoppeld aan het mannelijk geslachtschromosoom Z).
Bovendien werk ik ook met de
hypothese dat als we een koppeling uitvoeren, er drie bepalende factoren
zijn die genetisch zijn vastgelegd, die de zang beïnvloeden en die
onafhankelijk overgedragen worden. Het gaat daarbij om:
 |
Het zangapparaat van de vogel,
het instrument, dat de stem vormt: beïnvloed door veel verschillende
genen, en autosoom (niet gekoppeld aan geslacht) verervend. |
 |
De zangaanleg van de vogel,
bepalend voor de mogelijkheid om bepaalde toeren te brengen: een
kwalitatief gen gekoppeld aan het geslacht van de vogel. |
 |
Intelligentie, talent of
mogelijkheid van de kanarie om een lied te vormen: ik denk dat de genen
die hiervoor bepalend zijn meerdere genen betreffen en niet gelieerd
zijn aan het geslacht, al heb ik nog mijn twijfels. |
We concentreren ons nu op de
genetisch bepaalde zangaanleg van de vogel, omdat ervaring me geleerd
heeft dat deze het makkelijkst te beïnvloeden is, reden waarom ik
veronderstel dat het een kwalitatieve eigenschap is, direct gekoppeld aan
het geslachtsgen.
De snelle weg:
we onderscheiden de theoretische
percentages en gebruiken de genetisch bepaalde vererving van de
zangaanleg.
|
Wilde kanarie man
X Gedomesticeerde kanarie pop
F1 (50 % gedomesticeerd)
X Gedomesticeerde kanarie pop
R1 (75 % gedomesticeerd)
X Gedomesticeerde kanarie pop
R2 (87,5 %
gedomesticeerd) X Gedomesticeerde kanarie pop
R3 (93,75 %
gedomesticeerd) wordt als puur gedomesticeerde kanarie beschouwd.
|
Overdracht van de zang, uitgaande
van de koppeling aan het Z chromosoom:
1e Generatie: in vetzwart
de chromosomen van de wilde kanarieman (ZZ) – (in de verticale kolom links), in rood van
de gedomesticeerde pop (ZW)
– (in de horizontale rij boven), met het W chromosoom dat
geslachtsbepalend is voor de pop en dat, vergelijkbaar als bij de
kleurkanarie, geen genetische informatie draagt over de zang:
|
Chromosoom |
Z |
W |
|
Z |
Z Z |
ZW |
|
Z |
Z Z |
ZW
|
We zien hier dat alle mannen in het
nageslacht heterozygoot zijn voor zang: hun genetische aanleg is voor de
helft afkomstig van de wilde kanarie, terwijl de poppen, die immers het Z
chromosoom van de wilde kanarie overgenomen hebben, zo alleen de
genetische informatie van de voorvader, de wilde kanarie, dragen.
Het feit dat alle mannen
heterozygoot zijn voor zang, is de verklaring voor het feit dat de F1
generatie vrijwel altijd tekortkomingen toont.
2e Generatie: we gaan
ervan uit dat er geen interventie heeft plaatsgevonden die een verandering
in het gen of chromosoom teweeg gebracht heeft en zo de informatie
gekoppeld aan Z verandert: dit kan optreden in de fase van de Meiose (de
splitsing van chromosomen).
|
Chromosoom |
Z |
W |
|
Z |
Z Z |
ZW |
|
Z |
ZZ |
Z W
|
In de tweede generatie, zie we
dat het terugzetten van de F1 man wilde kanarie op de gedomesticeerde
kanariepop (familie of niet), de theoretische percentages van de R1
compliceert.
We kunnen beredeneren welke
combinaties er dan ontstaan:
Mannen:
Z
Z
Alhoewel met een theoretisch
percentage van 75 % genen van een gedomesticeerde kanarie en 25 %
genen van een wilde kanarie, in de zangaanleg is het nog steeds een
heterozygote kanarie die onder ideale condities een zang brengt die
overeenkomt met de zang van de F1 generatie, die ons de indruk kan
geven dat de vogel een zang brengt die min of meer gedomesticeerd
is, mede onder invloed van de functie van andere bepalende factoren
(de morfologische capaciteit – het zangapparaat – en de
mogelijkheden of de zangintelligentie).
Mannen:
Z Z
Alhoewel er nog steeds sprake is van
een theoretisch percentage van 75 % genen van de gedomesticeerde
kanarie en 25 % genen van een wilde kanarie, in de zang is een
homozygoot exemplaar ontstaan, die onder de ideale condities de zang
brengt van een gedomesticeerde kanarie, met minder of meer wildzang
nuances in de zang, mede onder invloed van de functie van andere
bepalende factoren (de morfologische capaciteit – het zangapparaat-
en de mogelijkheden of de zangintelligentie).
Poppen:
Z W –
hoewel deze pop theoretisch 75 % van de genen van gedomesticeerde
kanarie draagt en 25 % van de wilde kanarie, in de zang vererft ze
de zangaanleg van de wilde kanarie.
Poppen
Z W – hoewel ook deze pop theoretisch 75 %
van de genen van de gedomesticeerde kanarie draagt en 25 % van de
wilde kanarie, in de zang vererft ze de zangaanleg van de
gedomesticeerde kanarie.
De complicatie die dus optreedt
bij de mannen van de R1 generatie, is dat we binnen een familie exemplaren
aantreffen met een verschillende zangaanleg, gebaseerd op de verschillende
genencombinaties. Het genotype van de vogels kunnen we niet met zekerheid
vaststellen omdat ze fenotypisch, normaal gesproken, in staat zijn om de
zang van de dominante vogels over te nemen of een intermediaire zang te
brengen, de vrucht van de interactie met familieleden met een andere
genetische aanleg. We kunnen dus vogels hebben met gedomesticeerde zang
die genetisch heterozygoot zijn, of vogels die zang brengen met nuances
van wildzang, maar wel genetisch homozygoot voor gedomesticeerde zang. Bij
de poppen hebben we 50 % kans, of wildzang of gedomesticeerde zang.
Dit maakt duidelijk waarom er in
de R1 generatie kampioenen geboren worden, maar ook vogels die net zoveel
wildzang brengen als in de F1 generatie. De enige manier om vast te
stellen of een man homozygoot of heterozygoot vererft is door hem te
kruisen met zijn eigen dochters. Als alle exemplaren dan een
gedomesticeerde zang brengen, kunnen we vaststellen dat de R1 een
homozygote vererving heeft, en als er exemplaren met wildzang geboren
worden, kunnen we vaststellen dat de vader R1 een heterozygote vogel is.
Dit is geen theorie, dit is een conclusie na het experimenteren met R1 en
R2 vogels.
Het geen in de voorgaande
paragrafen gesteld is, gaat tevens op voor de R3 en voor de R4 generatie,
waar we weliswaar genetisch steeds verder van de wilde kanarie afkomen,
maar waar we nog steeds exemplaren kunnen aantreffen met wildzang, vanwege
de vererving van het Z chromosoom dat afkomstig is van de oorspronkelijke
wilde kanarie.
Zelfs als we rekenen op vogels
die genetisch bepaald een gedomesticeerd zangpatroon zullen brengen,
kunnen we dus geconfronteerd worden met terugslagen of het plotseling weer
opkomen van zangtoeren van de wilde kanarie, wat erop wijst dat de
morfologische en fysieke mogelijkheden van de vogel, het fenotype, nog
beïnvloed wordt door de wilde kanarie. Daardoor is het zo complex en zo
moeilijk om te werken met afstammelingen van een kruising met een wilde
kanarie, de reden waarom dit alleen gedaan kan worden door kwekers met
heel veel ervaring.
De langzame weg:
|
Gedomesticeerde kanarie man
X
Wilde kanarie pop
Gedomesticeerde kanarie man
X
pop F1 (50 % gedomesticeerd)
R1 ( 75 % gedomesticeerd) |
Vanaf de R1 generatie, kan men
zowel de mannen als de poppen gebruiken, die gedurende twee generaties
gekruist moeten worden met gedomesticeerde exemplaren (tot aan de R3
generatie).
De overdracht van de genetische
zang aanleg volgt dan via het Z chromosoom de volgende weg:
1e generatie: in vet zwart weer de chromosomen van de wilde
kanarie, in rood van de gedomesticeerde kanarie, en het W chromosoom die
geslachtsbepalend is bij de pop en die, net als bij het kweken met
kleurkanaries, geen informatiedrager is:
| Chromosoom |
Z |
W |
| Z |
ZZ |
ZW |
| Z |
ZZ |
ZW
|
We zien dat alle mannen
heterozygoot zijn, de genetische aanleg is voor de helft gedomesticeerd,
voor de helft wilde kanarie; terwijl de poppen, die immers het Z
chromosoom van de gedomesticeerde vader geërfd hebben, pure dragers zijn
van de genetische aanleg van hun vader.
Het feit dat alle mannen
heterozygoot zijn in de zangaanleg, verklaart de tekortkomingen die
optreden in de F1 generatie.
2e Generatie:
We gaan ervan uit dat er geen recombinant gen of
chromosoom ontstaan is, die een verandering van de informatie op het Z
chromosoom teweeg kan brengen, door een verwisseling van informatie die
kan optreden in de Meiose fase. De pop uit de eerste generatie wordt
gekoppeld aan een gedomesticeerde man.
| Chromosoom |
Z |
W |
| Z |
ZZ |
ZW |
| Z |
ZZ |
ZW
|
Met toepassing van dit systeem
zien we dat alle R1 exemplaren dragers zijn van het Z chromosoom
gedomesticeerde zang, hoewel we nog steeds, zoals eerder toegelicht,
geconfronteerd kunnen worden met terugslagen of het plotseling weer
opkomen van zangtoeren van de wilde kanarie, te wijten aan de
morfologische en fysieke mogelijkheden van de vogel, het fenotype, dat nog
de invloed ondergaat van de wilde kanarie, in de generaties R1, R2 en R3.
Concluderend kunnen we stellen dat
als ons doel is om nuances van wildzang aan te brengen in het lied van
onze kanarie, we moeten werken met heterozygote exemplaren
(ZZ)
waarbij gezocht moet worden naar een recombinant chromosoom die zowel
informatiedrager is van gedomesticeerde als van wildzang is, maar waarbij
de eerste dominant is, zoals ook al gezegd werd door Rafael Martínez Bouzo
"de wildzang moet druppelsgewijs bij de zang van onze kanaries ingebracht
worden, omdat het anders geen zuivere timbradozang meer is". Er bestaan
voldoende voorbeelden hiervan bij onze kanaries, om te weten dat
bovenstaande optreedt.
Als we echter kruisen met als
doel alleen wat "verversing" aan te brengen, dan werken we altijd met de
homozygote gedomesticeerde exemplaren
(ZZ).
2.2.5. Koppelen
om het fenotype te versterken.
Bestaat uit het koppelen van
exemplaren omdat ze een overeenkomstig fenotypte hebben, afhankelijk van
de karakteristieken die we willen versterken.
2.2.6. Koppelen met aanvullend
fenotype
Bestaat uit het koppelen van twee
exemplaren met verschillende karakteristieken, met als doel om bepaalde
ongewenste karakteristieken te compenseren of er uit te kweken.
3. Tot slot - de
conclusies
In de voorgaande hoofdstukken is
een generiek overzicht gegeven van de verschillende systemen om koppels te
vormen, maar de kweker die zich hiervoor interesseert moet concreet weten
hoe te handelen in zijn specifieke situatie.
Het is vanzelfsprekend dat het
soort kruising dat wordt toegepast, afhangt van veel verschillende
factoren. Een beginnend kweker wil vooral weten hoe hij een lijn kan
opzetten en vastleggen, later zal hij willen weten hoe de lijn in stand te
houden en hoe hij nieuwe karakteristieken in kan brengen en in sommige
gevallen, hoe enige verversing erin aangebracht kan worden. Afhankelijk
van hoe we ons ontwikkelen als kweker, groeit onze kennis en zijn we in
staat complexere resultaten te behalen. Daarom is het moeilijk om een
advies te geven dat opgaat voor alle kwekers in het algemeen.
Desondanks, gaan we hier een
8-tal basisregels weergeven, die van belang zijn om toe te passen,
alvorens de koppels samen te stellen.
1º) We moeten ons doel
duidelijk hebben. Waarom stellen we het koppel zo samen en wat willen we
ermee bereiken.
2º) Bij het samenstellen
van het Koppel zijn er drie factoren waarmee we rekening mee moeten
houden, die genetisch zijn vastgelegd en die invloed hebben op de zang en
die onafhankelijk van elkaar overgedragen worden:
 |
Het zangapparaat, het
instrument, waarmee het geluid gevormd wordt. Vele genenparen spelen
hierbij een rol (genetische kwantiteit) en de vererving is autosoom
(niet gekoppeld aan het geslachtschromosoom).
|
 |
De zangaanleg, die bepalend is
voor de mogelijkheid om een bepaald type toeren te brengen: genetisch
kwalitatief en gekoppeld aan het geslachtschromosoom.
|
 |
De zangintelligentie, talent of
mogelijkheid om een lied te vormen, componeren; vermoedelijk genetisch
kwantitatief en onafhankelijk (autosoom) verervend. |
3º) We selecteren de kweekvogels zo, en we stellen de kweekkoppels
zo samen, dat we rekening houden met meerdere mogelijkheden, zodat in het
geval dat we een bepaalde kruising niet kunnen doorzetten (bijvoorbeeld
omdat een vogel komt te overlijden, onvruchtbaar blijkt, etc.) we over
andere exemplaren kunnen beschikken waarmee we toch de beoogde resultaten
kunnen behalen. Met andere woorden, we moeten altijd over een plan B
beschikken; het komt elk jaar weer voor dat om wat voor reden dan ook, een
bepaald kweekkoppel niet goed uitpakt. Dan is het belangrijk dat we
alternatieven voorzien hebben, om te voorkomen dat we op zo’n moment
moeten gaan improviseren. Bij de realisatie van ons kweekplan, gebaseerd
op selectie, zou improvisatie catastrofale consequenties kunnen hebben.
4º) Gebruik een
kweekschema, als richtinggevend bij de samenstelling van koppels en het
samenstellen van de vervolgkoppels, bijvoorbeeld:
Een traditioneel en eenvoudig
schema om te kweken in bloedverwantschap ziet er als volgt uit:
1ª Generatie: koppel
een man (1) met twee poppen (2 en 3), niet per definitie verwant.
|
2
|
Koppel 1 X |
1 |
Koppel 2 X |
3
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Jong
4 |
Jong
5 |
|
Jong
6 |
Jong
7 |
1ª Generatie |
2ª Generatie: we
hebben meerdere opties. We koppelen man nummer 1 met twee van zijn
dochters (5 en 6), man 4 koppelen we met zijn moeder (2) en met een
halfzus (6) en man 7 koppelen we aan zijn moeder (3) en aan een halfzus
(5). Ook kunnen we enkele koppels buiten de bloedverwantschap opzetten
(man 4 met pop 3 en man 7 met pop 2).
|
5
|
Koppel 3
X |

1 |
Koppel 4
X |
6
|
|
Vader |
Kruising in bloed verwantschap 1e
graad |
|
Vader |
Kruising in bloed verwantschap 1e
graad |
|
|
X |
|
|
X |
|
|
|
dochter |
|
|
Dochter |
|
|
|
8 |
9 |
|
10 |
11 |
2ª Generatie |
|

|
Koppel 5
|
 |
Koppel 6
|

|
|
3 |
X |
7 |
X |
5 |
|
|
|
|
|
|
Zoon X Moeder |
Bloed verwantschap 1e graad |
|
Halfbroer/halfzus |
Bloed verwantschap 2e graad |
|
|
|
|
|
|
|
2e |
|
12 |
13 |
|
14 |
15 |
generatie |
| |
|
3
|
Koppel 7
X |
4
|
Koppel
8 X |
6
|
|
Zoon X moe-der |
Bloed verwant-schap 1e graad |
|
Halfbroer. halfzus
|
Bloed verwantschap 2e graad
|
|
|
|
|
|
|
|
2ª |
|
16 |
17 |
|
18 |
19 |
Generatie |
| |
3ª Generatie: de
mogelijkheden om koppels te maken, zijn nu enorm toegenomen. We kunnen de
koppeling grootvader/grootmoeder met kleindochters, kleinzonen maken (2e
graad), vaders/moeders met zonen/dochters (1e graad), halfbroer/halfzus
(2e graad), ooms/tantes met neven en nichten (3e graad) en tussen neven
(4º graad). Ook kunnen we enkele koppels opzetten zonder bloedverwantschap
tussen de afstammelingen van pop en de afstammelingen van pop 3 .
Uitgaande van één man met twee
poppen, kunnen we in slechts drie jaar al een familiegroep vogels
opbouwen. Als de gewenste resultaten behaald worden en de gewenste doelen
worden bereikt, dan hebben we de basis gelegd om koppels te vormen en in
bloedverwantschap door te kweken zonder misbruik te maken van te nauwe
verwantschap (dus brede bloedverwantschap en lijnenkweek) en zonder de
noodzaak om nog één nieuwe veer in ons bestand in te brengen.
In de meeste gevallen zal zo binnen
enkele jaren een grote homogeniteit in de genetische aanleg van ons
vogelbestand ontstaan. Als we op die manier winnen aan homogeniteit, dan
winnen we aan samenhang en verbeteren we onze vogels, totdat we uitkomen
op het niveau dat door de experts wel de "top van bloedverwantschap"
genoemd wordt. Dit is het moment dat een teveel aan bloedverwantschap
negatief uitpakt, om reden van het verlies aan genetische variëteit en de
opeenstapeling van negatieve genetische informatie (bijvoorbeeld lethaal
en sublethaal factor, genen die verantwoordelijk zijn voor het verlies van
vitalititeit en weerstand, etc.). Ik ben ervoor om een zekere graad van
genetische variëteit te koesteren in ons vogelbestand, door daar bij de
paarvorming bewust rekening mee te houden. Het advies is om een
uitgewerkte familie stam te vormen op basis van nauwe bloedverwantschap,
als basis voor ons vogelbestand en daarnaast verschillende familietakken
parallel op te zetten, waarbij we uitgaan van half-open bloedverwantschap.
Het gebruik van half-open bloedverwantschap, stelt ons in staat om
gedurende een langere periode de genetische variatie in ons vogelbestand
te koesteren, waardoor minder snel de problemen zullen optreden die
gepaard gaan met kweken in nauwe bloedverwantschap.
Op het moment dat we merken dat we
niet meer in staat zijn om verbeteringen in ons vogelbestand tot stand te
laten komen, dan wordt het tijd om een "verfrissing" uit te voeren. We
brengen een nieuwe vogel in, binnen onze familiegroep. Zo wordt
achteruitgang of "stilstand" van ons vogelbestand voorkomen. Het is een
moment dat we dus weer vanaf het begin aanvangen, omdat we een hoeveelheid
genen inbrengen die de genetische variëteit vergroot, waardoor de
samenhang in ons vogelbestand afneemt en de heterogeniteit toeneemt. Maar
het verschil is nu dat we in de tweede generatie niet weer tot paarvorming
in hele nauwe bloedverwantschap over hoeven te gaan. De eerder in ons
vogelbestand verkregen homogeniteit, als we het tenminste goed gedaan
hebben, maakt het mogelijk om de exemplaren die geboren worden uit
kruising met de nieuwe vogel, de eerste generatie, te koppelen aan elke
verwante vogel uit ons bestand.
Als we samenwerken in een groep, met
andere kwekers, dan kunnen we het nog anders aanpakken. Zoals we hebben
gezien, kunnen we vanaf de derde generatie zoveel combinaties maken dat
het vrijwel onmogelijk is dat een enkele kweker al die combinaties
uitwerkt. Als we samenwerken in een groep, met andere kwekers, kunnen
exemplaren van onze familiegroep door andere kwekers verder uitgewerkt
worden. Op die manier kunnen, ondanks ruimtegebrek of tijdgebrek, toch
vele interessante combinaties van een familiegroep uitgewerkt worden. Op
deze wijze kunnen we met meerdere kwekers gezamenlijk een familiegroep
uitwerken, ieder in zijn eigen geïsoleerde kweeklijnen. Deze familiegroep
zal door de gezamenlijke genetische afstamming, ook na vele generaties,
nog altijd de kenmerken houden van de oorspronkelijke afstamming, maar met
de specifieke eigenaardigheden waar een kweker op selecteert (hier kunnen
we dan spreken van verschillende lijnen uit een familiegroep).
Als dit werk gecoördineerd en op
slimme wijze gebeurt, waarbij men het eens is over de criteria om
eigenschappen vast te leggen en over de selectie van kweekvogels en
koppelvorming, en als er bovendien gedurende een aantal jaren niet samen
met eenzelfde vogel gewerkt wordt, dan is het mogelijk om op het moment
dat een van de lijnen de eerste symptomen van degeneratie vertoond, een
verfrissing uit te voeren vanuit een van de parallelle lijnen bij een
andere kweker. De bloedverwantschap is dan zo open, dat we wellicht kunnen
spreken van een verwantschap tot in de 6e graad of verder weg. En hoewel
de patronen om te koppelen op gelijke manier zijn toegepast, en alhoewel
we hetzelfde resultaat hebben nagestreefd, de genetische basis maakt dat
we wel opnieuw de gewenste eigenschap verkrijgen en tevens toch het effect
verkrijgen van een verbreding van de genetische variëteit, net als dat we
een geheel vreemde vogel in ons bestand hadden ingebracht. Maar nu dan wel
met het voordeel dat we niet weer helemaal opnieuw hoeven te beginnen om
de homogeniteit in ons bestand op te bouwen. We winnen dus enorm veel
terrein en voorkomen dat we een aantal jaren verliezen, die nodig zijn als
het resultaat van een onverwante kruising niet het gewenste effect geeft.
Het is inmiddels aangetoond dat
bovenstaande haalbaar is, en met groot succes wordt toegepast bij
verschillende groepen kwekers. Echter, de eerlijkheid gebied ook om te
erkennen dat uitwisseling van goede vogels tussen enkele kwekers, in de
praktijk vaak al eerder gebeurd dan wenselijk is, waardoor de mogelijkheid
verloren gaat om de aangeraden genetische variatie te verkrijgen die
geadviseerd wordt in een familiegroep die uit verschillende geïsoleerde
kweeklijnen bestaat.
5º) Alhoewel we een
kweekschema volgen zoals hierboven als voorbeeld gegeven, moeten we goed
begrijpen dat we nooit de gevangenen van een schema mogen worden. Om het
schema goed te gebruiken, moeten we ten alle tijden de regels genoemd
onder 1, 2 en 3 in gedachten houden. Als we een koppel samenstellen,
moeten we ons altijd eerst afvragen waarom zo en met welk doel. Want als
we een schema volgen, maar een kruising draagt niet bij aan het resultaat
dat wordt nagestreefd, dan moeten we die kruising niet maken, en vooral
niet als we in bloedverwantschap werken. Bloedverwantschap volgen met als
doel om het schema uit te voeren is een stommiteit, er moet altijd een
reden zijn om een schema te volgen.
6º) Als we open kruisingen
uitvoeren moeten we erop letten dat de exemplaren die we aanschaffen uit
families komen met geselecteerde karakteristieken die passen bij onze
vogels en dat de vogels het zuivere resultaat zijn van een zorgvuldig werk
in bloedverwantschap, waarbij purificatie heeft plaatsgevonden.
7º) We moeten beseffen dat
een kampioensvogel niet hetzelfde is als een goede kweekvogel. Hoewel een
kampioen een kweekvogel kan zijn, zijn er ook kampioenen, die als ze
ingezet worden bij een open kruising nauwelijks iets overbrengen, of een
vererving hebben die nauwelijks overeenkomt met de gewenste eigenschappen.
8º) Niet alle exemplaren
vererven of overdragen op dezelfde wijze de karakteristieken die wenselijk
zijn. We moeten die vogels identificeren, mannen of poppen, die in ons
vogelbestand de gewenste karakteristieken overgeven aan hun nageslacht.
Rond die vogels moeten we ons werk centreren. Als we de stambomen
bestuderen van onze beste vogels, dan zien we daarin dat er exemplaren
meerdere keren voorkomen, waarmee de goede vererving van die vogels wordt
aangetoond.
Tot zover de uit
het Spaans vertaalde teksten. In het voorgaande hoofdstuk wordt het advies
gegeven om een relevant schema te volgen. In Spanje is de Tafel van Felch
het meest bekende en wellicht het meest besproken schema. Maar er bestaan
veel meer schema’s, die een richting aangeven om met gebruik van
bloedverwantschap een goed vogelbestand op te bouwen. Bekend is
bijvoorbeeld ook het Trettersysteem, dat begin vorige eeuw door Tretter
werd ontwikkeld. In Nederland heeft met name M. Weijling in zijn boek ‘Het
boek voor de zangkanarie kweker’,
verschillende kweeksystemen uiteen gezet en met elkaar vergeleken.
Het boek van
Weijling geeft ons inzichten in de wijze waarop parallelle paringen
opgezet kunnen worden, met een man op meerdere poppen. Een echte
verbetering van het vogelbestand kan daarbij alleen bereikt worden als er
met meerdere geïsoleerde foklijnen gewerkt wordt, zo stelt hij. Met die
strategie is het mogelijk te kweken en te selecteren, tot een gewenst
resultaat bereikt is. Door het werken met geïsoleerde foklijnen wordt het
tevens mogelijk om na enkele jaren een vogel uit de tweede parallelle lijn
in te zetten in de eerste lijn. Het voordeel is natuurlijk het effect van
het inbrengen van nieuw bloed (verbreding van de verscheidenheid in genen)
terwijl er al een basis aan zanggelijkheid bestaat. Bovendien zijn
bepaalde karakteristieken van de zang min of meer vastgelegd, in het
ideale geval is de vogel op bepaalde karakteristieken zelfs zuiver
verervend. Een samenvatting uit het belangrijkste hoofdstuk van zijn boek
willen we hier presenteren. Het betreft fragmenten uit hoofdstuk 17 uit
bovengenoemd boek dat handelt over parallelparingen en wisselbroed.
Weijling begint het
hoofdstuk met een definitie van wisselbroed: “.. volgens een
bepaald stelsel van voor minstens drie jaren vastgestelde paringen
binnen afzonderlijke lijnen, is het beste en meest doelmatige
foksysteem voor de stamteelt. De wisselbroed, waaraan in het verleden geen
speciale betekenis werd toegekend, verdient thans te worden verheven tot
een universeel foksysteem, omdat het geschikt is zowel voor kruising
als voor het zuiver fokken van een familiegroep.”
Iets verderop
verklaart hij waarom parallel paren in wisselbroed beter werkt dan het
werken met kweekkoppels: “In de gewone praktijk komt het veelvuldig voor,
dat een of andere paring in familieverband een prima zanger oplevert, maar
juist hierdoor geraakt de oppervlakkige waarnemer op een dwaalspoor, want
het ontstaan van dergelijke (min of meer toevallige) enkelingen is geen
stamteelt. De een kweekte een goede vogel uit vader X dochter, een ander
uit zoon X moeder, weer een ander uit broer X zuster, maar enorm groot is
het aantal kwekers, die met deze paringen niets bereikten. Een bepaalde
familieband is niet beslissend. Beslissend is of in de te paren dieren
gelijke en voor goede zang geschikte erffactoren aanwezig zijn.”
Het vinden van
vogels, die gelijke en voor goede zang geschikte erffactoren dragen,
kunnen we gunstig beïnvloeden, volgens Weijling:
“Ten eerste
door een man (als begin van de
teelt) te paren met drie of meer poppen van gelijke zangrichting, hetzij
uit één stam, hetzij uit meerdere stammen, waarmede wij dan in zekere mate
gebruik maken van in de poppen aanwezige zangverschillen, om gewaar te
worden uit welke van de poppen het beste resultaat te voorschijn komt;
Ten tweede om ook in de doorteelt steeds een man met meerdere poppen
te paren, omdat wij alleen op deze wijze gewaar kunnen worden welke pop of
poppen op gelijke wijze vererven. De gehele teelt en de stamvorming is
niets anders dan bij een bepaalde man de bijpassende, gelijk verervende
pop of poppen te vinden.”
Weijling benoemd de
verschillende bestaande schema’s en stelt daarover: “Vrijwel elk der
zojuist genoemde kweekwijzen bevat iets goeds. Deze ongetwijfeld goede
elementen behoren in een afzonderlijk systeem te worden gebundeld, welk
systeem zelf de parallelparingen tot grondslag heeft als middel om met
meer zekerheid gelijkverervende mannen en poppen te kunnen opsporen.”
Ook Weijling
omschrijft het gebruik van kruisingen, met als doel om bepaalde specifieke
toeren in te brengen of om een meer variabele zangrichting te verkrijgen.
Hij wijst erop dat parenbroed nooit het voldoende aantal jonge dieren
geeft om een resultaat vast te leggen “bij parenbroed mist men ten
enenmale een groot aantal jonge poppen, immers de beschikbare jonge poppen
zijn uit andere mannen voortgekomen. “
Hij stelt dat het
mis gaat op het moment dat het echte werk moet beginnen; veel kwekers
weten dan niet de goede vervolgstappen te zetten, door te kweken na een
eerste behaald succes en dan een stam opbouwen. “Een ieder kent ze uit
zijn eigen kring. Een kweker heeft vier of meer goede vogels ter wedstrijd
gebracht en meent dat hij daarmede reeds naam begint te maken. Een jaar
later is zijn resultaat echter bepaald teleurstellend. …Dat een goed
resultaat in het ene jaar, gevolgd wordt door een slecht resultaat in het
volgende jaar is heel niet vreemd, ja zelfs redelijk te verklaren. Als een
kweker erin slaagde vier of zes goede wedstrijdvogels te kweken, dan is
daarmede voor hem het beslissende moment aangebroken waarop die verkregen
zangkwaliteit zal moeten worden vastgelegd. Menig kweker ziet echter dit
moment als zodanig niet. Hij ziet het slechts als het tijdstip van zijn
eerste opmerkelijke succes en verwacht als het ware, dat nu de verdere
teelt vanzelf wel weer vogels van die prima zangkwaliteit zal opleveren.
Dit is echter een jammerlijk veel voorkomend verkeerd inzicht.”
Maar ook Weijling
beseft terdege dat het kweken van een goede zangkanarie een moeilijke
opgave is. “Daar zijn een tamelijk groot aantal zeer bepaalde erffactoren
voor nodig. Ligt het dan niet voor de hand, dat wij precies dezelfde
erffactoren van een man moeten zoeken in zusters en halfzusters van die
man? Deze immers hebben met die man een bepaalde afstamming gemeen.
Maar in de praktijk
wordt hiermede meestal geen rekening gehouden, althans niet bij de
parenbroed. De parenbroed biedt ook trouwens geen voldoende gelegenheid om
er rekening mede te houden. Voor de toepasser van parenbroed ligt het
vinden van "gelijke factoren" eigenlijk alleen maar in de paring van broer
X zuster.” ….”In de praktijk van de parenbroed wordt dan ook vrijwel
steeds een goede zoon uit het ene fokstel gepaard met een dochter uit een
heel ander fokstel, doch die dochter is dan niet de bijpassende pop.”
Weijling stelt dat
het nodig is om met elke pop eerst ervaring op te doen in de teelt
alvorens wij haar waarde kunnen beoordelen. Hij noemt het vaststellen van
de erfelijke waarde van de pop daarbij een zaak van het grootste belang.
Weijling noemt de pop “de halve fokstam. “ Maar ook constateert Weijling
dat kwekers niet altijd voldoende rekening houden met de erfelijke waarde
van de pop en dat niet de middelen worden toegepast om systematisch echte
stampoppen te fokken. “Men bezigt ook een totaal verkeerde methode voor
beoordeling van de erfelijke waarde van de pop. Men schijnt er reeds mede
tevreden te zijn, indien een fokpaar onder meerdere jongen slechts één
behoorlijke zanger oplevert, maar in dit geval is er geen sprake van enige
fokzuiverheid. Hier vinden wij dus weer dezelfde oorzaak, waardoor
parenbroed vrijwel nimmer tot fokzuiverheid leidt.”
Wat is dan wel het
juiste middel voor beoordeling of een pop een gunstige erfelijke waarde
heeft? Weijling adviseert de kwekers daarbij de lat hoog te leggen. Het
gaat niet om die ene man, die een prachtige zang bracht, omdat het daarbij
slechts om een enkele vogel gaat. Dit geeft dus geen enkele aanleiding te
veronderstellen dat het ouderkoppel, of de moeder of de vader, zuiver
verervend was. “Wij dienen voornamelijk te letten op die paringen, waaruit
b.v. drie zonen gelijk van zang zijn, want dergelijke zanggelijkheid, zich
demonstrerend in meerdere zonen, wijst op fokzuiverheid van zowel de vader
als van de moeder. In dit geval zou dan de kweker reeds ten minste één
stampop hebben gevonden, immers naar het resultaat past deze moeder bij de
vader, want wel drie zonen waren gelijk van zang.”
Weijling attendeert
ons erop dat ook de dochters (zusters van de drie goede zonen) mogelijk
eveneens een zekere graad van fokzuiverheid hebben. “Het is echter beter
om dit niet voor zeker te houden en de erfelijke waarde van de jonge
popjes wederom pas te beoordelen nadat ze in de teelt zijn beproefd.”
En weer kunnen we
ons dan afvragen hoe die popjes dan vervolgens verder te paren.
Wisselbroed van 1 man met meerdere poppen is voor Weijling het antwoord.
“De oplossing: als de kweker de vader van zijn drie gelijk zingende zonen
(die het op de wedstrijd zo goed deden) nu eens met 4 of 5 poppen uit de
familie had gepaard, dus met poppen, die van vaders kant ook van
behoorlijke afstamming waren, dan zou het toch geen roekeloze verwachting
geweest zijn dat een van de vier andere poppen ook eens twee of drie van
die gelijk zingende zonen had opgeleverd en als die ook eens een paar
zusjes hadden, dan konden toch de gezamenlijke dochters uit de bewuste
twee overjarige stammoeders allen als stampopjes beproefd worden, door een
zoon uit de ene moeder te paren met de dochters uit de andere moeder en
wederkerig een zoon uit de andere moeder met de dochters van de ene
moeder, m.a.w. paring van broer met zijn halfzusters.”
En deze oplossing
is niet de enige richting die Wijling aangeeft. “ Hiermede heb ik een z.g.
gunstig moment in de teelt aangewezen, gelijk dit zo veelvuldig in de
praktijk voorkomt. Er zijn variaties denkbaar, b.v. drie gelijk zingende
zonen uit een man en eveneens drie gelijk zingende zonen uit een broer van
die man.”
En dan komen we bij
de essentie: “Hoofdzaak is dat begrepen moge worden, hoe gelijkheid van
zang door de kweker zelf opgemerkt dient te worden en dat men van te voren
de paringen zodanig moet inkleden om tot de zo juist geschetste
mogelijkheden te kunnen komen. Zonder enige systematiek is stamteelt niet
mogelijk. Moge tevens worden ingezien, dat familieteelt met gewone
parenbroed maar hoogst zelden de zo juist beschreven gunstige momenten
oplevert, om de eenvoudige reden dat elk fokpaar een afzonderlijke man en
pop vereist en hoe meer vogels wij in de teelt gebruiken, hoe groter de
kans op ongewenste zangverschillen (erfelijke onzuiverheid).”
Weijling geeft ons
vervolgens een advies, gebaseerd op voorgaande: “Als wij echter steeds
tijdens de stamvorming een man met meerdere poppen paren, dan fokken wij
veel jongen met een gemeenschappelijke afstamming en hebben wij
tegelijkertijd een ruime gelegenheid die gemeenschappelijke afstamming te
benutten om de gewenste factoren uit die jongen weer tezamen te brengen.”
Als slot van zijn
inleiding op de wisselbroed, benadrukt Weijling nogmaals dat niet alleen
het systeem van belang is maar dat ook de algemene selectie-eisen
vanzelfsprekend toegepast behoren te worden; eisen ten aanzien van
gezondheid, goede broedeigenschappen en de vruchtbaarheid. “Wij dienen
derhalve te waken voor éénzijdige selectie welke enkel op de
zangeigenschappen is gericht, want voor stamvorming is vooral ook de
gezondheid, goede broedeigenschappen en de vruchtbaarheid van onze
fokdieren een noodzakelijke eis, welke te meer geldt voor de wisselbroed.”
Juist omdat een zo groot mogelijk aantal zusters en/of halfzusters met een
bepaalde man worden gepaard is de vruchtbaarheid zo belangrijk om tot
stamvorming te komen. Weijling besluit met: “Hoe logischer en consequenter
het systeem toegepast zal worden, des te opvallender zal de stamvorming
ook tot stand komen.” Vervolgens legt hij de toepassing van het systeem
uit.
1e jaar:
1 man paren met drie of vier poppen.
2e jaar:
telkens 1 zoon uit de ene moeder paren met dochters uit een of beide
andere moeders.
3e jaar:
weer 1 zoon (van het 2e jaar) paren met zijn halfzusters totdat een aantal
gelijk zingende mannen en daarbij passende poppen zijn gevonden.
Dit schema geeft de
vorming van een geïsoleerde foklijn weer. Het gehele nageslacht
binnen die foklijn is van slechts één enkele man afkomstig, de stamvader.
Het is de bedoeling om minstens twee zulke geïsoleerde foklijnen te
vormen.
Het eerste jaar
spreekt voor zich. In het tweede kweek jaar worden heel weinig mannen
ingezet en wel de zonen uit het eerste kweekjaar. Daarnaast moeten we
zoveel mogelijk alle jonge poppen van het eerste jaar gebruiken.
De keuze voor de
man in het tweede jaar: zo mogelijk uit elk moederdier één zoon en wel een
vogel, die de beoogde toeren in behoorlijke vorm brengt. In dit stadium
van de vorming van de foklijn kunnen geen te hoge eisen gesteld worden aan
de zang. De paringen voor dit tweede jaar zijn:
een man uit pop A X
zijn halfzusters uit de poppen B en C;
een man uit pop B X
zijn halfzusters uit poppen A en C;
een man uit pop C X
zijn halfzusters uit de poppen A en B.
Wanneer het nu zó
uitkomt, dat men b.v. uit pop C maar een of twee dochters heeft,
daarentegen uit de twee andere stammoeders A en B een meer dan voldoende
aantal dochters, dan is dat geen reden tot zorg. Dit is geen afwijking
waarmede het succes staat of valt. Ook is het mogelijk om uit een
stammoeder twéé zonen te bezigen en Weijling raad zelfs aan dit te doen
ingeval die twee zonen (dus broers) kennelijk gelijk in zang en toeren
zijn.
Na beëindiging van
het tweede jaar is het nodig om meer dan in het voorgaande jaar te letten
op de zang van de jonge mannen.
Voor het derde jaar
zijn wederom maar heel weinig mannen voor de doorteelt bestemd, hoe minder
hoe beter. In geen geval worden 2e jaars mannen ingezet, die onderling
sterk in zang verschillen. In het derde jaar moeten de mannen beslist in
zang overeenkomen, is het niet in alle toeren, dan toch wel in de aard der
klanken.
Nu kunnen zich twee
mogelijkheden voordoen:
1e. onder deze
mannen bestaan broers/halfbroers, die prima overeenstemmen;
2e. of
zangovereenkomst is te vinden in drie of vier mannen, die elk uit
verschillende paringen afkomstig zijn.
In ieder geval moet
het zoeken naar éénheid van zang beslist worden betracht.
Indien we dit
resultaat hebben aangetroffen, dan is het doel nog niet bereikt. Alleen de
mannen zijn bekend. Het is dan nog nodig om de daarmee overeenkomende
poppen te ontdekken (wat hun vererving betreft). Deze poppen moeten of
kunnen zich bevinden onder de zusters en halfzusters van de opvallend
goede mannen. Daarom worden de opvallend goede mannen in het derde jaar
met hun halfzusters of zusters gekoppeld. Hoe treffender de gevonden
zangovereenkomst tussen de gevonden jonge mannen is, hoe groter is ook de
kans de bijpassende poppen onder hun zusters en halfzusters te vinden. Die
poppen, welke gepaard met de preferente mannen (zie het schema) alleen
maar mannen geven met dezelfde prima zang als de preferente dieren zelf,
dat zijn de echte stampoppen.
Weijling
verklaart de grondslagen van het systeem als volgt:
“Het parallelparen
is op zich zelf reeds een algemene grondslag welke al tot gelding komt bij
de eerste opzet. Waarom paren wij daar één man met meerdere poppen? Omdat
wij al zo reeds in de aanvang de kans benutten om de best bijpassende pop
(poppen) te vinden. …Het parallelparen dient om de kansen op het vinden
van bijpassende poppen doeltreffend te doen zijn.
Er zijn kansen en
doeltreffende kansen en deze kansberekening speelt bij de stamvorming een
zeer voorname rol. Bij parenbroed met 10 fokparen heeft elke fokman
slechts één kans op ook maar één bijpassende pop, doch deze afzonderlijke
kansen zijn dan toch grotendeels slechts op goed geluk gebaseerd.
Bovendien heeft de praktijk van parenbroed uitgewezen, dat we toch niet
bij véle mannen de juiste pop vinden. Dit wijst er dus op dat wij op een
of andere wijze onze kansen gunstiger moeten maken.
Toegegeven dat het
vinden van bijpassende poppen een moeilijk werk is - zonder ze te zoeken
en te vinden is het geen stamvorming - zo is zulks een reden te meer om
het niet met vele fokmannen tegelijk te proberen. Wij moeten dit werk
vereenvoudigen door het gebruik van maar weinig fokmannen en onze kansen
moeten we evenredig doen stijgen door elke fokman met meerdere poppen te
paren. Hierin ligt al de doeltreffendheid van de kans om niet slechts één,
doch twee of meer bijpassende poppen bij een bepaalde man te vinden. De
doeltreffendheid wordt nog verhoogd als we niet maar met louter
willekeurige poppen parallelparen, doch met poppen, die met de man een
gemeenschappelijke
afstamming hebben, immers deze houdt de grootste kans in voor
gemeenschappelijke erffactoren.
Hiermede zijn we
gekomen tot de andere grondslag van het systeem n.l. de gemeenschappelijke
afstamming. Nu we als het ware plotseling met deze uiterst belangrijke
grondslag worden geconfronteerd lijkt het alles eenvoudig en
vanzelfsprekend. Toch heeft men het in het verleden wel wat al te
vanzelfsprekend geacht, alsof het onnodig was er nog speciaal de aandacht
op te vestigen. Dat stamvorming tevens het zoeken naar de bijpassende
poppen vereist, scheen eveneens geen speciale aandacht waard te worden
geacht. Op deze wijze zijn echter onmisbare grondslagen in de praktijk
geheel uit het oog verloren, althans menigmaal geheel op de achtergrond
geraakt..
In een systeem voor
stamvorming mogen deze grondslagen echter niet ontbreken. Wanneer we
parallelparen (wisselbroed) als een grondslag
accepteren, dan
doen we dit omdat deze grondslag de toepassingsmogelijkheid biedt voor de
andere grondslag, de gemeenschappelijke afstamming, want hierin ligt de
kans voor het vinden van de onontbeerlijke gemeenschappelijke
erffactoren.”
Weijling spreekt
ook uit eigen ervaring: “Ik zocht steeds paringen te bewerken tussen een
man en zijn halfzusters en mocht dan ook het genoegen smaken steeds vogels
van gelijke toeren en klanken te kunnen inzenden.
In mijn functie van
Bondsstamboekhouder ben ik ook in de gelegenheid om waar te nemen, dat de
zo juist genoemde gelijkheid van zang vrijwel steeds bij die kwekers wordt
gevonden, die parallelparingen in toepassing brengen.”
Tot besluit geeft
Weijling nog een toelichting op enkele begrippen, die de pijlers van zijn
systeem vormen. Ten eerste het begrip bijpassende poppen.
“Hier wordt niets
minder verlangd dan dat de poppen in hun verervingswijze (bezit aan
erffactoren) precies gelijk zijn aan hun man. Deze poppen te vinden is
daarom een moeilijke opgave,omdat het vrijwel zeker niet één, doch
meerdere erffactoren betreft. Wij moeten daarom bij het beginnen met
parallelparingen uitgaan van de stelling, dat de beginouders elkaar
erfelijk niet geheel en al gelijk zijn, zelfs als wij beginnen met dieren
van één kweker. Dit is immers juist de reden waarom een nieuw foksysteem
nodig is. Wij moeten er dan ook op rekenen dat parallelparingen zeker niet
terstond een geheel van prima toeren zullen opleveren. Wij moeten
afwachten wat er uit komt. Wat erin zit kunnen wij eruit te voorschijn
brengen. Wat er erfelijk niet in zit, kan met geen enkel foksysteem te
voorschijn worden gebracht. In grote mate zal het ervan afhangen in
hoeverre de dieren, waarmede wij de teelt beginnen, erfelijk reeds een
aantal factoren gemeen hebben. Binnen één lijn zal het kunnen plaats
vinden, dat uit de ene pop vogels met prima toeren voortkomen en uit een
andere pop vogels met andere prima toeren. Het beste is dan om die foklijn
in tweeën te splitsen en eerst enerzijds de lijn met de prima toeren en
anderzijds de lijn met de andere prima toeren vast te leggen. We vormen
dus twee afzonderlijke foktomen, die ieder voor zich bestaan uit een
vader, een moeder en kinderen, maar – en dit is het voordeel - doordat wij
parallel hebben gepaard, hebben we veel jongen, die we als broeder X
halfzusters voort kunnen paren. Elke lijn of foktoom dient dus eerst
afzonderlijk afgewerkt te worden. Zijn we er in de doorteelt dan in
geslaagd enerzijds de prima toeren verervende poppen en anderzijds de
andere prima toeren verervende poppen aan te wijzen, dan zijn beide lijnen
zuiver verervend geworden, maar ook pas dan kan met succes tot kruising
van de beide lijnen worden overgegaan om al het prima toerenwerk te
verenigen.”
Ten tweede een
toelichting op het principe van geïsoleerde foklijnen: “Een foklijn
beginnen en uitwerken heeft alleen zin als er het voornemen aan ten
grondslag ligt om hem te isoleren en geisoleerd te houden, d.w.z. in de
foklijn geen andere dieren gebruiken, dan die er zelf uit zijn
voortgekomen. Ja, zullen vele kwekers hierop zeggen: "ik kweek ook reeds
jaren met mijn eigen dieren voort en betrek er geen andere vogels in en
toch bereik ik mijn doel niet of maar onvolkomen. Ik kweek wel ieder jaar
een beperkt aantal goede zangers, doch dit zijn maar enige uitblinkers.
Over mijn stam als geheel ben ik niet tevreden." Mijn antwoord hierop is,
dat deze kwekers niet een of twee foklijnen hebben geïsoleerd, doch hun
hele vogelbezit als familie met alles wat ertoe behoort en wat erin zit,
prima werk, goed werk en minder goed. Als men dit alles binnen een grote
familiegroep isoleert en het zoeken van gelijkverervende mannen en poppen
uit het oog heeft verloren, dan bereikt men er weinig of niets mee…..
Het isoleren van
een foklijn is trouwens op zichzelf slechts een onderdeel van het systeem.
We isoleren een beperkt groepje dieren, om daaruit een zangeenheid te
vormen en die zangeenheid, zo ze ergens optreedt, ook vast te leggen. Het
isoleren, zowel als het selecteren van de zangeenheid en het
vastleggen, moet
alles binnen de foklijn plaats vinden. “
En dan komt
Weijling op de derde pijler van het systeem: de positieve en negatieve
selectie.
“Dit houdt
vanzelfsprekend tevens in, dat van jaar tot jaar ook een aantal ongewenste
dieren uit de foklijn moet worden verwijderd. Het uitverkiezen van het
goede is de positieve selectie. Het verwijderen van het middelmatige en
ongewenste is de negatieve selectie. Deze negatieve selectie moet men
aandurven.”
Om het systeem nog
eens samen te vatten, laat Weijling een denkbeeldige toepasser van de
wisselbroed aan het woord, met de onderstaande logisch klinkende
redenering:
"Ik kies mij voor
het vormen van een foklijn een goede fokman, die ik ook vanwege zijn zang
heb uitgezocht. Ik noem hem de stamvader van de
foklijn. Ik paar
hem met drie of meer poppen uit de totale familiegroep, waarvan de vaders
zo mogelijk in zang met de zo juist genoemde stamvader overeenkwamen. Ik
maak mij geen overdreven zorg of nu wel verwacht kan worden dat de gekozen
stamvader wel inderdaad goed zal vererven, want zijn zang is prima en naar
mijn wensen. Nu die vogel prima
zingt, staat het
voor mij vast, dat hij erffactoren bezit, die dit mogelijk maken. Nu ik
die ene stamvader paar met meerdere poppen, zal ik gewaar
worden welke van
die poppen er het beste bijpassen en ik heb de zekerheid dat alle kinderen
de factoren van de stamvader zullen bekomen. Wat de poppen er in zullen
brengen, moet ik afwachten en via verdere teelt gewaar worden. Ik kan
vrijwel met zekerheid verwachten, dat er ook een andere toerencombinatie
of andere klankligging of andere toervorm aan de dag treedt. Bij gunstig
verloop van de broederij zal ik zulks reeds in het tweede jaar kunnen
constateren. Ik moet dus zelf acht geven hoe de lijnvorming zich
ontwikkelt. Maar hoe na het 2e of 3e jaar ook mijn definitieve
keuze zal zijn, vooraf weet ik te kunnen voortparen, omdat ik elk jaar
parallelpaar, en dus steeds een flink aantal jongen van één vader
disponibel zal hebben."
Tot zover de
weergave van de parallelparingen in geïsoleerde foklijnen. Aan het eind
van het hoofdstuk verontschuldigd Weijling zich bijna, dat hij niet in
staat is om de erffactoren voor zang in een schema weer te geven. Hoe
handig zouden formules zijn, zoals die bij de kleurkanaries in gebruik
zijn. Het is echter niet mogelijk om deze formules te geven, omdat de
erffactoren die de zang bepalen niet rechtstreeks aan de vogels af te zien
zijn. Dit betekent niet dat er geen sprake is van erffactoren, het is
alleen ingewikkelder om de erffactoren vast te stellen. Denk bijvoorbeeld
aan een hoge eierproduktie bij kippen, of een grote melkproductie bij
koeien. De hoge eierproduktie of melkproduktie wordt gevormd door een
aantal fysieke factoren van de kip of de koe, onder gunstige
omstandigheden. Toch is de mens wel degelijk in staat gebleken om door
toepassing van een systematische fok en toepassing van erfelijkheidsleer,
te komen tot een hogere produktie. Systematische parallelparingen in
geïsoleerde foklijnen worden ook hier toegepast.
Terug naar Weijling.
Want hoe is het nu gesteld met erffactoren, die betrekking hebben op de
kanariezang? Hij stelt : “Het hebben van de overtuiging dat er
erfelijkheid in kanaries is, is voor de zangkweker beslist noodzakelijk.
Tot dusverre was die overtuiging niet algemeen, voornamelijk omdat er nog
geen beschreven erfelijkheid van kanariezang bestond en door verschillende
foutieve foksystemen het erfelijk verloop van zangfactoren duister bleef.
...
Ook voor mij was
het aanvankelijk moeilijk uit de doolhof de rechte weg te vinden, doch na
correspondentie met Dr. v. d. Plank van de Rijks- Universiteit te Utrecht
mocht ik waardevolle gegevens als basis bekomen. Dr. v. d. Plank's
uitspraak luidde:
“Erfelijk is de aanleg en/of het vermogen voor de
speciale
kanariezang, alhoewel op meerdere factoren
berustend, welke
aanleg bestaat doordien ademhalingsorganen en keel anatomisch zodanig
gebouwd zijn, dat de mogelijkheid is gegeven om
deze zang voort
te brengen. Ook bestaat bij kanaries een erfelijk intellect voor zang. De
kanarie is in dit opzicht met verstand of kenvermogen begaafd. De zanglust
of zangijver berust eveneens op erfelijke factoren."
Weijling
concludeert hieruit dat de erffactoren invloed hebben op de orgaanbouw en
op het zangintellect. Op de anatomische bouw hebben de erffactoren
rechtstreeks hun uitwerking, terwijl de vorm en de aard der klanken dus
het indirecte gevolg van de erffactoren zijn. Met de factoren voor
anatomische bouw en zangintellect kan hij vervolgens niet zoveel. Zijn
conclusie: “Zo blijft ons derhalve geen andere conclusie over dan op
grond van het indirect effect de aanwezigheid van gunstige erffactoren
voor zang aan te nemen.”
Hij ziet dit niet
als een beletsel maar wel als een handicap om te komen tot stamvorming.
Het betekent dat de feitelijke erfelijke waarde van een fokdier pas
achteraf bepaald kan worden, aan de hand van de prestaties van de jongen.
Dit is de grootste handicap bij de selectie van de poppen, omdat bij een
man de zang duidelijk te horen is.
Als we dan ook nog met veel verschillende mannen zouden werken, ontstaan
nog meer variabelen. “Wij moeten beginselvast voor een foklijn één
uitgangspunt kiezen. Daarom begint het systeem de foklijn met één man.”
Weijling stelt dat
de grootste moeilijkheid gelegen is in het bewerkstelligen van de
fokzuiverheid. Een stevig houvast hebben wij in dit opzicht steeds aan de
zang van de mannen. “Elke man, die een behoorlijk lied brengt van mooie
klanken, bezit hiervoor gunstige erffactoren. Om te weten te komen of die
man voor die factoren fokzuiver is, moeten wij zodanige paringen trachten
te bewerken, waaruit alleen jongen komen met de prima zang. Vinden wij
zulk een paring, dan weten we tevens dat ook de moeder de bijpassende
factoren heeft aangebracht. Die man en die pop zijn dan waard om een jaar
later wederom gepaard te worden. Niettemin kan het dan gebeuren, dat de
kinderen nog niet fokzuiver zijn. Jonge mannen, die zelf prima zingen en
hun zusters en halfzusters moeten dus ook verder beproefd worden, totdat
in een bepaalde lijn het gewenste resultaat wordt aangetroffen, n.l. dat
ook de jonge poppen op hun beurt weer enkel prima zangers hebben
opgeleverd.”
...
Dit is dus een
kwestie van zelf opletten, zelf constateren. Er bestaat geen enkel
kweekschema dat het recept geeft om prima vogels te kweken. Wat het
begrip "prima vererven" betreft, hierover zou gemakkelijk misverstand
kunnen ontstaan. Een dier, hetzij man of pop, kan geen andere erffactoren
bezitten, dan die het zelf van zijn ouders heeft bekomen. Bij kanariezang
komt het er echter precies op aan, dat de samenstelling van factoren
gunstig samenkomen, want: “gelijk er verschillende zangrichtingen
bestaan, verschillende toerencombinaties, verschillende toervormen en
diverse klankliggingen, even zeker is het, dat er even zovele speciale
factoren samen moeten komen. Het is dus niet voldoende dat een dier een
dergelijk gunstig factorengarnituur (dubbel) bezit, maar tevens dat het
gepaard wordt met een partner, die eveneens datzelfde garnituur heeft,
want pas dan kunnen wij de gelijke vererving constateren aan het resultaat
in de jongen.”
Zonder selectie
geen goede vogels. “Er moet
geselecteerd worden, want zonder selectie bestaat er geen foksysteem. Bij
het systeem der parallelparingen is echter het wachten op het moment
waarop deze selectie definitief zal moeten plaats vinden, n.l. met
uitschakeling van al het andere.” Bij de parallelparingen is dit moment
daar, als er uit bepaalde paringen alleen maar goede vogels geboren
worden. De jongen uit deze dieren, met hun vader en moeders, vormen de
basis om mee verder te fokken. Dit is het moment om alle andere vogels
uit de foklijn uit te schakelen. Een drastische maatregel, maar zonder
deze maatregel zou het verkregen resultaat weer spoedig teniet gaan. De
foklijn is nu immers “gezuiverd”. Daarom moeten er geen andere dieren in
gebruikt worden.
Om te beginnen met
het systeem van parallelparingen is het overigens niet nodig om een heel
vogelbestand op te ruimen. “Welnu, deze kwekers behoeven geenszins hun
vogels op te ruimen. Dit zou dwaasheid zijn. Alleen de inkleding der
paringen moet worden gewijzigd." …….”En dan verder? Dus ook hier weer dat
vraagteken in de gewone familieteelt. Dat kan toch anders gedaan worden.
Een pop uit een vader van 7 punten, heeft toch ook een moeder gehad en die
moeder heeft toch aan de vererving ook het hare bijgedragen! Welnu, als
men de dochter heeft kan men ook de moeder achterhalen en als de pop
zusters heeft kan men die toch ook in de 7 puntenteelt betrekken. Dan
kunnen we reeds een viertal parallelparingen tot stand brengen: de 7 p.
man X de pop uit 7 punten vader, de 7 p. man X de moeder van de pop, de 7
p. man X 1 zuster van de pop, de 7 p. man X nog 1 zuster van de pop.
Indien geen zusters van de pop voorhanden zijn, doch wel de ouders van de
pop, dan kunnen toch alsnog eerst zusters gefokt worden. Dergelijke
beknopte afzonderlijke familiegroepjes kunnen toch uit tal van kwekerijen
geformeerd worden……. Het systeem der parallelparingen isoleert en
localiseert echter dergelijke prima kwaliteiten, doch dit is alleen
mogelijk door een foklijn te vormen uit één stamvader en verder alleen
met het nageslacht daarvan voort te kweken. Zo vormt men een constant
verervende stam.”
...
Tot zover de
beschouwingen van M. Weijling.
HOOFDSTUK 5 Tot besluit
Als we de ervaring van Weijling naast
de ervaringen van Espada leggen, merken we op dat er veel overeenkomsten
in hun opvattingen zitten. Zowel de conclusies van Espada als die van
Weijling zijn gebaseerd op de combinatie van theorie en ervaringen van het
kweken met zangkanaries. De onderwerpen als stamteelt, het streven naar
zangeenheid en goede vererving, het gebruik van weinig mannen tegenover
veel poppen, en het toepassen van inteelt broer/zus, halfbroer/halfzus,
vader/dochter om een gemeenschappelijke afstamming te versterken en
eenheid in de zang te brengen – gelden voor beiden als uitgangspunten.
Het interessante is dat ze deze uitgangspunten onafhankelijk van elkaar
uitgewerkt en onderbouwd hebben.
Opvallend is ook, dat Espada en
Weijling het met elkaar eens zijn over de wijze waarop de zang erfelijk
beïnvloed wordt. Espada benadrukt daarbij wel veel meer de invloed van
omgevingsfactoren en voeding. Maar allebei zijn ze ervan overtuigd dat de
zang gevormd wordt door een complex aan erfelijke factoren die invloed
uitoefenen op 1) het zangtalent of de zangaanleg, 2) het zangintellect en
3) de invloed van de fysieke eigenschappen: hoe het zangorgaan gevormd is.
Espada werkt minder strak dan Weijling
in een schema, het lijkt erop dat hij selectie nog belangrijker vindt dan
het volgen van het schema. Het schema is voor hem een hulpmiddel. Bij
zowel Espada als bij Weijling is de basis van het opzetten van een
stamgroep duidelijk overeenkomstig: beiden werken met een man met meerdere
poppen, beiden werken een groep vogels uit in een geïsoleerde foklijn, in
de bewoording van Espada uitgedrukt:: “zonder dat er nog een vreemde veer
aan toegevoegd wordt”. Weijling geeft aan uiteindelijk niet goed met de
erffactoren uit de voeten te kunnen en geeft de richting van selectie en
het consequent en opzetten van paringen in het schema van paralleparingen
met wisselbroed, met daarbij het belang van het vinden van de bijpassende
pop. Het vinden van de passende pop is voor Weijling essentieel: maar
tegelijkertijd is het een element dat het systeem behoorlijk compliceert.
Want wat doet de kweker met die pop, als die gevonden is? Steeds opnieuw
gebruiken? En hoe kom je dan vooruit? Weijling gaat uit van poppen die
niet per definitie verwant zijn aan de man, Espada zoekt de poppen in de
familiegroep en stelt daarbij zanggelijkheid voorop. Het doel van beiden
is om de zanggelijkheid in een groep vogels te versterken.
Als het gaat om de invloed van de pop,
brengt Espada een nieuw element in. Hij baseert zich daarbij op
verschillende experimenten die hij samen met zijn kwekersgroep heeft
onderzocht. Hij werkt de ervaringen uit, gerelateerd aan het verschil in
vererving van man en pop. Zijn vooronderstelling daarbij is dat het
geslachtschromosoom een bepalende rol speelt bij de vererving van zang en
met name bepalend is voor het zangtalent. De stelling is dat het
zangtalent gekoppeld is aan het Z chromosoom. Espada onderbouwt dit met de
ervaringen, die voor hem bewijzen dat deze factor aan het
geslachtschromosoom gekoppeld is. Zijn veronderstellingen hierover heeft
hij met name aangetoond in zijn experimenten met kruisingen.
Espada en Garcia Iso, de laatstgenoemde
destijds ook in de kwekersgroep van Espada, zijn inmiddels in Spanje hard
op weg om legendarisch te worden. Zij zijn in staat gebleken om Timbrado’s
te kweken, in de door hen van te voren bepaalde richtingen. Espada heeft
met zijn kweekgroep zelfs een stamboek gevormd, waar geen Timbrado’s van
buiten ingebracht mogen worden. Van elke vogel is exact bekend welke
voorouders invloed hebben gehad op het uiteindelijke resultaat. De
experimenten die Iso en Espada uitgevoerd hebben, waren erop gericht om
meer kennis te verkrijgen over de verervingswijze. Onterecht is de
gedachte dat het kruisen van wilde kanaries met Timbrado’s bijdraagt aan
het verbeteren van de zang; inmiddels is het vrij algemeen bekend onder de
Spaanse kwekers dat de invloed van wildzang op het lied verre van gunstig
is. De experimenten die in het verleden gedaan zijn, hebben echter wel
veel kennis opgeleverd.
Het is een uitdaging om de
consequenties van bovenstaande theorieën en ervaringen te overdenken voor
de kweek met de Timbrado. Het levert ons een aantal praktische handvatten
op die gebruikt kunnen worden bij het samenstellen van de paringen. Het
moge duidelijk zijn dat wijzelf in onze kweek al jaren uitgaan van
parallelle paringen in wisselbroed, waarbij we het doel en de selectie
overigens altijd boven het volgen van een schema gesteld hebben. De
hieronder geformuleerde richtlijnen en conclusies hebben we getrokken op
basis van de voorgaande teksten.
Uitgaande van hetgeen hiervoor gesteld
is, en ook bekend uit de erfelijkheidsleer, weten we dat de pop een
zogenaamd “leeg chromosoom” heeft. Dit is een chromosoom, waarop we geen
factoren kunnen vaststellen. Dit chromosoom heeft bij de gameetvorming een
belangrijke invloed op het uiteindelijke geslacht: man of pop. Dit is de
basis waarop de aanname van Espada e.a gebaseerd is. De aanname is gelegen
in de veronderstelling dat het zangtalent van een vogel verbonden is aan
het geslachtschromosoom. Dit is niet wetenschappelijk bewezen, maar wordt
echter wel ondersteund door jarenlange ervaring van verschillende kwekers
in Spanje. Wat wel een wetenschappelijk gegeven is, is dat de man een
dubbel geslachtschromosoom draagt en de pop een enkel geslachtschromosoom.
De veronderstelling is nu dat de man de helft van zijn vader en de helft
van zijn moeder ontvangt (Man XX en de Pop XY). De pop heeft 1 “gevuld”
geslachtschromosoom. Verondersteld wordt nu dat zij dit chromosoom, en de
daarop gelegen factor zangtalent, volledig van de vader erft. Immers, zou
bij de gameetvorming de X van vader en de X van moeder worden ontvangen,
dan ontwikkelt de gameet zich tenslotte tot een mannelijk exemplaar!
Ervan uitgaande dat bovenstaande
klopt, dat de pop het zangtalent van haar vader 100 % vererfd, en dat de
man altijd een mix is (50 % vader en 50 % moeder) kunnen een aantal
interessante conclusie’s getrokken worden, die helpen bij het opbouwen van
de familiegroep en het verbeteren van zangtalent of juist bij het
verbeteren van het fenotype/klank. De klank van de vogel, zoals eerder
geconcludeerd, ontstaat immers uit de fysieke eigenschappen van de vogel –
de wijze waarop het zangorgaan opgebouwd is en de mogelijkheden die daar
uit voortkomen.
Stel
nu dat ons doel is om het zangtalent van de jongen te versterken, dan:
1) Heeft het terugzetten van poppen
op de grootvader alleen zin, als deze grootvader de vader van de vader is!
Immers: de pop krijgt het zangtalent 100 % van haar vader. Haar vader had
50 % van zijn vader. Deze koppeling is dus interessant als de grootvader
een groot zangtalent had en als in de actuele kweekgroep dat zangtalent in
mindere mate aanwezig lijkt te zijn. Het zangtalent (van de grootvader)
wordt zo dus door de terugparing versterkt in de actuele kweekgroep. Zou
een pop teruggezet worden op de grootvader van moeders kant, dan heeft dat
voor versterking van zangtalent geen zin. Immers, de pop heeft helemaal
niets aan zangtalent via haar moeder verkregen. In zo’n geval wordt het
zangtalent dus met 0,0 % versterkt.
2) Als een goede man teruggezet wordt
op de grootmoeder van vaders kant, ontstaat de volgende situatie: de goede
man heeft 50 % van zijn vader en 50 % van zijn moeder. Zijn vader, op zijn
beurt, had ook 50 % van zijn vader en 50 % van zijn moeder (de grootmoeder
dus). Op deze manier is het dus wel mogelijk om het zangtalent afkomstig
van de grootmoeders kant te versterken, maar de koppeling is niet heel
sterk. Zet dan liever een goede man terug op zijn moeder. De moeder had
immers 100 % zangtalent van haar vader. Dan ontstaat de situatie dat het
zangtalent van de grootvader (de vader van zijn moeder) weer sterker in de
lijn gebracht wordt.
Als een goede man teruggezet wordt op
grootmoeder van moeders kant, ontstaat de volgende situatie: de goede man
heeft 50 % van zijn vader en 50 % van zijn moeder. Zijn moeder, op haar
beurt, had 100 % van haar vader. Van haar moeder had ze 0 zangtalent
vererfd. Deze koppeling heeft dus geen zin – omdat het zangtalent 0,0
versterkt wordt.
3) Met als doel het verbeteren van
het zangtalent, heeft het koppelen van halfbroer en drie halfzussen alleen
zin als de vader identiek is. Immers, de dochters hebben het zangtalent
van de vader 100 % meegekregen. De halfbroer van hen, slechts 50 %. Zou
alleen de moeder van de halfbroers/halfzussen identiek zijn, dan vindt
geen enkele versterking van het zangtalent plaats.
Versterken fenotype/klank:
Dat betekent ook, dat als je halfbroer
kruist met drie halfzussen met identieke moeder dan heeft de man weliswaar
50 % van de moeder overgenomen, maar de drie halfzussen 0 %. De bouw van
het zangorgaan, verantwoordelijk voor de klank, komt echter niet voort uit
een geslachtsverbonden vererving. Al wordt dan bij deze paring niet het
zangtalent versterkt, wel wordt het fenotype versterkt. Met als doel het
verbeteren van het fenotype, heeft het kruisen van halfbroer en drie
halfzussen dus wel zin als de moeder identiek is. Immers, de dochters
hebben de factoren voor het fenotype van de moeder, en de zonen ook.
Hoe het zangtalent versterkt kan
worden, kan op bovenstaande wijze uitgewerkt worden. Maar bedenk daarbij
wel, ook het zangintellect en het fenotype zijn mede bepalen voor de zang,
factoren die niet geslachtsverbonden lijken te vererven. En voor het gemak
gaan we hier maar niet uitgebreid in op de omgevingsfactoren, waarvan we
wel zeker weten dat deze een hele belangrijke rol spelen. Toch levert
voorgaande tekst al iets op in de complexe wereld van het kweken met
zangkanaries. Als er zo enorm veel invloeden zijn, is het belangrijk om
die variabelen vast te zetten, die we kunnen vastzetten. Van daaruit
kunnen we ons werk opzetten en richting proberen te geven.
Variabelen zijn vast te zetten o.m.
door met weinig mannen en veel poppen te werken. Door omgevingsfactoren
niet elk jaar te veranderen, maar te stabiliseren. Door richting te geven
en te berekenen (of te voorspellen), wat de mogelijke opbrengst van een
bepaalde koppeling zal zijn. Door in ieder geval het aantal factoren in
een familiegroep bij elkaar te houden, proberen te beperken en niet te
verbreden door het inbrengen van veel nieuwe vogels. Maak dus gebruik van
inteelt, maar onthoud het advies van Espada: beginnende kwekers moeten dat
niet bij meer dan twee generaties toepassen. Het is belangrijk dat een
kweker daarbij de juiste selecties maakt. Variabelen zijn vast te leggen,
door consequent te selecteren, zowel positief als negatief. Onze eigen
ervaring is dat het werken volgens een schema in geïsoleerde foklijnen
goede resultaten oplevert.
Dit is echter niet iets wat een kweker
alleen kan uitvoeren – hiervoor is goede samenwerking tussen verschillende
kwekers nodig. Om de verschillende goede combinaties uit te werken in
geïsoleerde foklijnen, zou een kweker zoveel vogels moeten kweken dat het
ten koste van het plezier in de hobby zou gaan. Bovendien houden kwekers
elkaar scherp in samenwerking, want het toepassen van strenge selectie is
niet altijd even makkelijk. Zo is het soms de beste weg om een succesvolle
vogel uit te sluiten voor de verdere kweek, als de vogel een fout brengt
die haaks staat op de zang die wordt nagestreefd. Door verder te kweken in
die lijn zou die fout zich opstapelen. Zo een beslissing is voor een
kweker alleen soms moeilijk om te maken.
Een schema is richtinggevend, maar mag
nooit leidend worden. Dit wordt ook door zowel Weijling als door Espada
benadrukt. Het is uiteindelijk de kweker zelf die de keuzes moet maken,
moet bedenken welke doelen nagestreefd worden en waarom bepaalde
combinaties resultaat kunnen geven. Dat is nu eenmaal de kern van onze
hobby, daarom noemen we onszelf Timbradokwekers. Daarin ligt onze
uitdaging, om telkens weer goede vogels te kunnen kweken.
Nee, uiteindelijk dus geen handleiding
zoals bij een zelfbouw pakket van een grote winkelketen of een
gebruiksaanwijzing zoals bij een medicijn. Maar wel een enorme uitdaging,
om in een soort van doolhof steeds weer, met toepassing van de goede
selectiecriteria, de juiste weg te kiezen om zo tot de kern door te
dringen. Door de structuur van het doolhof te herkennen, door die vogels
te kweken waarin we ons einddoel te voorschijn zien komen en waar we met
plezier naar luisteren!
Notabene: deze
tekst is nog in bewerking. Een dezer dagen worden nog noten en bronnen toegevoegd.
| | |