Kweken met de Timbrado

Geen gemakkelijke opgave: hoe de zang van de Timbrado te verbeteren

De bedoeling van de verzamelde teksten is om handvatten te geven aan de Timbrado kweker, hoe een goed vogelbestand op te bouwen en hoe een vogelbestand "uit te werken" in een bepaalde zangrichting die de kweker zelf het mooist vindt. 

De tekst is als volgt opgebouwd:

Voorwoord: door E.M. Eweg & M. Pardo del Rio (Keurmeesters Timbrado, bestuursleden STS)
Hoofdstuk 1, 2 en 3:  door M.A. Espada (Keurmeester) 1994 oorspronkelijke titel “Una tarea dificil 1, 2 en 3” ( vertaling uit het Spaans).
Hoofdstuk 4: bron M. Weijling, Het boek voor de zangkanariekweker, hfdst 17, Thieme, Zutphen 1948, bewerking.
Hoofdstuk 5: door E.M. Eweg en  M. Pardo del Rio

Voorwoord:

Nakomelingen verkrijgen van Timbrado’s is niet zo enorm moeilijk. Maar bewust kweken met als doel om een vogelbestand te verbeteren en een bepaald resultaat met de vogels te bereiken – dat is een ander verhaal. Daar komt veel bij kijken. En zeker als het gaat over zangkanaries, of hier de Timbrado. Want, anders dan bij bijvoorbeeld de kleurkanaries, is het niet mogelijk om de eigenschappen aan de buitenkant ervan af te zien. Of een bepaalde zangeigenschap dan vervolgens wel via vererving is vast te leggen, ook dat is niet precies bekend. En om het allemaal nog ingewikkelder te maken,  wordt de zang ook nog eens beïnvloed door de voeding en andere omgevingsfactoren. De zangkanaries nemen nu eenmaal het lied van elkaar over en passen hun lied aan bij dominante zangers in hun omgeving.

Maar betekent dat dan, dat het dus onmogelijk is om goede resultaten te verkrijgen door het zorgvuldig samenstellen van de kweekvogels? Nee, de praktijk wijst gelukkig anders uit. Het zijn immers steeds bepaalde kwekers, die in staat zijn om, jaar in, jaar uit, vogels op de wedstrijden te brengen die tot de top behoren. En dat gaat niet vanzelf. De theorie, de toepassing van de erfelijkheidswetten, levert inzichten waar wij als zangkanarie kwekers maar  beperkt mee uit de voeten kunnen. Maar op het moment dat die theorie samengebracht wordt met de ervaring, dan ontstaat er iets interessesants. Theorie en ervaring samen, geven ons inzichten en aanwijzingen die ons de richting wijzen om succesvol de kweek op te zetten. 

En dat is de bedoeling van de tekst die voor u ligt. Wij, de samenstellers van deze bundel, denken dat hier voor u een document ligt, waar Timbradokwekers iets uit kunnen halen wat hen verder helpt. Basiskennis, de terminologie, maar ook vraagstukken die ons aan het denken kan zetten. In de tekst worden in ieder geval enkele practische handvatten gegeven om de kweek van de Timbrado mee op te zetten en met geduld en na verloop van tijd een Timbrado van een hoge kwaliteit te kweken. Verwacht echter niet dat na het lezen van dit alles, de kweek eenvoudig is geworden. Het blijft de kweker zelf, die op de goede momenten de juiste keuzes moet maken en beslissingen moet nemen die essentieel zijn voor de opbouw van een familiegroep van goede kwaliteit.

Als we naar de theorievorming in Nederland kijken, met betrekking tot de kweek met zangkanaries, dan heeft M. Weijling een gedegen studie verricht. In zijn standaardwerk “Het boek voor de zangkanariekweker”, waarvan de eerste druk al in 1948 verscheen,  beschrijft hij de ervaringen van verschillende kwekers en koppelt deze ervaringen aan de wetten van Mendel. In 1948 werd bij de Algemene Nederlandse Bond een stamboek opgezet van zangkanaries. Weijling ’s standaardwerk werd vier keer herdrukt. Weijling baseert zijn veronderstellingen op de erfelijkheidsleer en combineert deze met de ervaringen van kwekers. Hij gaat daarbij vooral uit van het genotype, de vererving van de vogels. Op basis van theorie en praktijkervaringen, trekt Weijling de conclusie dat het systeem van parallelle paringen tot de beste resultaten leidt. Zijn uitkomst is om de parallelle paringen in geïsoleerde foklijnen in te zetten, waardoor bepaalde toeren verbeterd kunnen worden. Belangrijk is daarbij het inzetten van weinig mannen en veel poppen, en het zoeken naar de juiste bijpassende pop.

Weijling beschrijft hoe goede resultaten worden behaald en zijn aanbevelingen zijn door veel zangkwekers opgevolgd. Echter, zijn werk geeft uiteindelijk niet de verwachte doorbraak voor het kweken met zangkanaries. Met name het zoeken naar de juiste pop, waarvan Weijling zozeer het belang benadrukt, blijft een moeilijk probleem. Het werk van Weijling is ook zeker omstreden in de wereld van zangkanarie kwekers. Sommigen verwijten hem dat hij de omgevingsfactoren niet voldoende in acht neemt. Het werk van Weijling kent geen wetenschappelijke basis, wordt er door anderen gezegd[1]. Het is immers niet aangetoond dat de toeren van een zangkanarie erfelijk vast te leggen zijn.

Wij denken dat een deel van de kritiek op Weijlings aannames niet ongegrond is. Sterker nog, het is onwaarschijnlijk dat een bepaalde toer erfelijk is vast te leggen – omdat een toer nu eenmaal geen kenmerk is van een vogel maar slechts een interpretatie van een bepaald geluid door de mens. Maar wat meer waarschijnlijk wel erfelijk vast te leggen is, is de structuur van dat geluid of de karakteristieken van dat geluid. Een bepaalde zangstructuur, de dominantie van bepaalde basistoeren in het lied, mogelijk het ritme. De DNA print van de kanarie is echter niet uitgewerkt, het is nog onbekend welke eigenschappen precies vererven en welke plaats zij innemen in de DNA gegevens.

Echter, de vraag is of een fundamenteel wetenschappelijke basis in dit geval zoveel toe kan voegen. Weijling baseert zijn boek op de ervaringen van een groot aantal kwekers, die hun ervaringen delen via een bondsstamboek. Als  een groot aantal kwekers samenwerkt en goed gedocumenteerd systematisch veronderstellingen staaft of weerlegt, dan is sprake van toegepast onderzoek of praktijkgericht onderzoek. Een vorm van onderzoek die wel degelijk wetenschappelijk aanzien heeft en een werkwijze die door veel grote bedrijven gebruikt wordt in hun Research & Development afdeling. Het motto is dan: “Ga uit van de praktijk en onderzoek of een ontwikkelde theorie daar van toepassing is”. En als de theorie lijkt te kloppen, probeer dan uit te vinden in welke situaties de theorie wel, en in welke situaties de theorie niet van toepassing is.  En dat is nu precies ook wat M.A. Espada in Spanje gedaan heeft, in samenwerking met een grote groep kwekers van Timbrado’s, van de vereniging “Cesaraugusto” te Zaragoza.

De uitkomsten van zijn praktijkgericht onderzoek zijn verspreid onder vele kwekers in Spanje. En algemeen is daar bekend, dat door toepassing van de uitkomsten van het werk dat hij (e.a.) verricht heeft, zeer goede resultaten zijn gehaald. Verschillende groepen kwekers in Spanje passen de uitgangspunten toe, en zijn zo in staat om vogels van een zeer hoog niveau te kweken en in ieder geval bepaalde, van te voren vastgestelde, doelen te bereiken.  

Is het daarmee eenvoudig geworden? Kunnen we na het lezen van deze tekst allemaal met gemak goede Timbrado’s kweken? Nee, dat niet. Vele factoren spelen een rol als we succesvol willen zijn met de kweek, omgevingsfactoren en factoren die erfelijk bepaald zijn.  Maar het werk van M. Espada biedt ons zeker richtingen hoe de kweek op te zetten. Als we dan tot slot de uitkomsten van het werk in Spanje combineren met de uitkomsten van het standaard werk van Weijling, worden uitgangspunten gesteund, versterkt en ontstaan mogelijk zelfs nieuwe inzichten, waarmee we in Nederland wellicht baanbrekend werk kunnen verzetten.

In de volgende drie hoofstukken is een vertaling te vinden van de originele tekst van M.A. Espada, de vertaling van  “Una Tarea Dificil”  - “Een moeilijke opgave”, deel 1, 2 en 3. De theorie wordt uiteen gezet waarop de ervaringen gebaseerd zijn. De theorie vormt immers het kader, het raamwerk, waarin de ervaringen passen. In hoofdstuk vier dan, wordt de essentie uit het o.i. belangrijkste hoofdstuk uit het boek van M. Weijling weergegeven. Tot slot, in hoofdstuk 5, volgen enige conclusies en leggen we verbanden tussen de verschillende opvattingen, die van toepassing zijn op de kweek met Timbrado’s.

De vertaling van “Una Tarea Dificil” is gedaan door de samenstellers van deze bundel. De bundel mag niet commercieel verspreid worden en is alleen bedoeld om kennis te delen met de kwekers van Timbrado’s in de Timbrado Society.

 

[1]  Warmerdam, H. 1986 Zangvererving waarde of waardeloos – te vinden op internet

Een moeilijke opgave....

door: Miguel Angel Martin Espada - Keurmeester Timbrado's en voorzitter CTC Zaragoza C.N. H-363

Vertaling: Erlijn Eweg

Hoofdstuk 1. Inleiding

Alvorens te beginnen, denk ik dat het goed is om duidelijk te maken dat ik niet de pretentie heb om een meesterwerk te schrijven, noch om een wetenschappelijk werk neer te zetten. Ik ga een aantal ideeën uiteen zetten die net zoveel waard zijn als elk ander gedachtegoed. Echter, van onze theorie kunt u zelf de waarde bepalen door haar te toetsen aan de praktijk. Bovenal wil ik de conclusies bekend maken, van het werk van de kwekers van de Timbrado Vereniging in de stad Zaragoza. Ons belangrijkste doel was, ver weg van het winnen van prijzen of het verkopen van kanaries, om binnen onze mogelijkheden als kwekers bij te dragen aan de technische en praktische kennis over de kweek van de zangkanarie Timbrado.

Ook wil ik me op voorhand al excuseren tegenover hen die hun kanaries trainen met volwassen voorzangers, omdat wat gaat volgen, heel waarschijnlijk, voor hen van geen enkele hulp zal zijn. Het gaat hier namelijk om onze conclusies, van kwekers die zelf nooit voorzangers gebruiken. Kwekers die het gebruik van een voorzanger zelfs als contraproductief beschouwen, bij het streven naar de beste genetische basis van onze Timbrado.

Wat wij bovenal nastreven is het verbeteren van de genetische basis van de vogels, waarbij de vogels zonder voorbeelden van zangpatronen (voorzang, bedoeld of onbedoeld) een zang ontwikkelen naar onze tevredenheid, onafhankelijk van de toeren waar wij het meest van houden, maar waarbij onze eigen muzikale voorkeur wel het einddoel bepaald (het soort zang dat wij willen horen bij onze kanaries) en de selectie methoden die nodig zijn om dat te realiseren.

Belangrijk is het om te beseffen dat de zang van de vogels bestaat uit een aangeboren en aangeleerd deel, het aandeel van elk deel in de zang is bij ieder ras verschillend. Er zijn voorbeelden van vogels waarbij de zang bijna geheel op genetische basis berust en ook zijn gevallen bekend waarbij de zang verkregen of geleerd wordt van de volwassen exemplaren. Bij de kanarie in het algemeen en speciaal bij de Timbrado, kunnen we stellen dat, hoewel er een deel van de zang aangeboren en een deel van de zang aangeleerd is, de aangeboren mogelijkheden van een ongelooflijke omvang zijn. Dit in tegenstelling tot sommige andere vogelsoorten.

Bij de Timbrado is de voorzang met volwassen exemplaren niet nodig om een rijke en gevarieerde zang te verkrijgen. De kwekers die voorzangers gebruiken, en daarbij die vogels selecteren die zelf hun lessen goed geleerd hebben, ontwikkelen vooral de mogelijkheid van de vogel om te kopiëren en te imiteren.

Wat wij willen bereiken is de ontwikkeling van dat deel van de zang dat aangeboren is, door juist die vogels te selecteren die breed ontwikkeld zijn: zonder hulp van volwassen vogels. Dat beschouw ik persoonlijk als een bijdrage in de evolutie en de genetische verbetering van dit zangkanarie ras; zo heb ik liever een vogel met een minder breed muzikaal repertoire waarbij het repertoire geheel op de genetische basis berust, dan een vogel met een meer gevarieerde zang die opgeleid is met voorzangers.

In het eerste geval heb ik tenminste een idee van het soort zang dat de jongen kunnen vererven, terwijl ik in het tweede geval eigenlijk alleen maar weet dat ik een goede leerling heb, waarbij de jongen wellicht de mogelijkheid om te kopiëren van de vader erven, meer of minder goed dan de zang van de voorzanger. Maar stel dat ik in het tweede geval niet over de juiste voorzanger beschik, wat gebeurt er dan? Wat kunnen we verwachten van de erfelijke aanleg van vogels die jaar in jaar uit geselecteerd zijn op hun talent om te imiteren? Een ieder kan hier zijn eigen mening over vormen, ik wil alleen nog attenderen op wat gebeurd is met kwekers van de Waterslager, waarbij het, in tegenstelling tot de Harzer of de Timbrado, tegenwoordig erg moeilijk is om zonder voorzanger het repertoire te verkrijgen dat nodig is, of tenminste nodig om succes te hebben bij de wedstrijden.

Nu we op dit punt aangekomen zijn, moeten we verwijzen naar de twee fundamenten waarop wij ons baseren bij de moeilijke taak om goede zangers te verkrijgen:

1) Ons doel is de ontwikkeling van kanaries die, binnen de randvoorwaarden dieaangegeven worden in de standaard van het ras en met een mooie en melodieuze klank, een verstaanbaar lied brengen met een goede uitspraak en muzikaal lied, gevormd door de beschikking over het geheel aan mogelijkheden van zijn stem en brede toonregister, met een serie of series van toeren zo rijk en gevarieerd als mogelijk, met aandacht voor zijn organische en lichamelijke beperkingen, en zonder ooit de kwantiteit boven de kwaliteit te stellen.

2) De erfelijke aanleg van de kanarie vormt de basis om een ongelimiteerde serie toeren voort te brengen. Deze serie is weliswaar beperkt in aantal. De toeren worden gevormd tot een melodie na een periode van oefening (plastische zang) en zijn gedetermineerd door de morfologie van het exemplaar, die min of meer passendis, en door de omgevingsfactoren tijdens het proces van het volwassen worden.

Hiermee rekening houdende, zoeken we als kwekers naar concrete doelen en methoden die het meest aansluiten bij onze ideeën. Zo kunnen wij, als voorbeeld en ter illustratie, met het eerste uitgangspunt als vertrekpunt om ons doel te bereiken, afhankelijk van onze muzikale smaak en binnen de mogelijkheden die de standaard toelaat, ernaar streven om exemplaren te kweken die een complete zang hebben. Een complete zang in de zin dat ze zo mogelijk alle toeren dienen voort te brengen die op de keurlijst omschreven staan (waarbij een complete zang niet verward moet worden met een gevarieerde zang)

Maar ook kunnen we ernaar streven om exemplaren te kweken waarbij de zang in de eerste plaats, kwantitatief of kwalitatief, gevormd wordt door de niet continue toeren, en, op deze wijze, streven naar een repertoire met een focus op de toeren van de grootste muzikale waarde en met de hoogste puntenwaardering op de keurlijst.

Als we daarbij de keurlijst van de Spaanse Timbrado beschouwen, waarbij in dit voorbeeld een maximale waarde van 100 punten wordt aangehouden, kunnen we ons voorstellen wat de ideale kanarie zal zijn bij drie verschillende kwekers, A, B, of C.

Stellen we ons eens voor dat A, die uit Madrid afkomstig is, een voorkeur heeft voor exemplaren met een complete zang. Kweker C, afkomstig uit Zaragoza, heeft een voorkeur voor exemplaren die hun zang baseren op de onderbroken en afgezette toeren (dus geen continue ritme) en B, de Andalucier, heeft een uitgesproken voorkeur voor een soort zang tussen het een en ander, de zogenaamde "intermedio".


Keurlijst

A

B

C

Timbres………………………………………(9)

5

3

 
Variaciones Rodadas……………………..(18)

9

4

 
Timbre de Agua…………………………….(9)

5

3

 
Cascabel…………………………………….(9)

4

   
Floreos………………………………………(27)

16

20

23

Floreos Lentos……………………………...(27)

17

22

25

Campana…………………………………….(9)

3

   
Cloqueos…………………………………….(18)

12

14

15

Castanuelas…………………………………(9)

4

   
Variaciones Conjuntas…………………….(27)

16

20

23

Agua Lenta………………………………….(18)

3

6

7

Agua Semiligada…………………………….(9)

3

5

4

Indruk…………………………………………(3)

3

3

3

Totaal

100

100

100

 

     


Kweker A, B en C hebben allen als doel om de zangkanarie Spaanse Timbrado te kweken, naar eigen smaak en voorkeur maar binnen de standaard van het ras. Dit ondanks de opmerkelijke verschillen die we in ieders voorstelling van de ideale vogel tegenkomen, de drie visies op het ras zijn allemaal even waardevol. De visie van B vormt op dit moment de meerderheid onder de Timbrado kwekers bij de FOCDE, zo ook als vogel die we op de wedstrijden tegenkomen, hoewel we moeten erkennen dat de kwekers in CTCZ (Zaragoza) zich het best identificeren met visie C.

Maar we moeten niet vergeten dat de visies van kweker  B en C in zeker opzicht aanvullend zijn, dit is ook duidelijk aangetoond met de ervaringen van onze kwekers. Immers B, die selecteert op de niet-continue toeren, beschikt op een gegeven moment over vogels die zingen volgens het schema van C. En C beschikt, op het moment dat enkele van zijn vogels een continue toer brengen, over vogels van het type B. Onafhankelijk van de ideale keurlijst is het zo dat zowel B als C hun vogels selecteren op de kwalitatieve en kwantitatieve verbetering van de toeren met een onderbroken ritme. Bij A ligt dat anders. De ervaring heeft geleerd dat het onhaalbaar is om enkel gebaseerd op de erfelijke aanleg van een kanarie, zonder met voorzangers te werken, het hele repertoire van de standaard (een onnatuurlijk zangschema, ontwikkeld door de mens) te bereiken, tenminste in een ongeveer correcte vorm. Gegeven is deze onmogelijkheid, wetenschappelijk aangetoond en luisterend naar de zang van onze kanaries, waarbij of de continue toeren overheersen of de onderbroken toeren overheersen.

We kunnen de aanwezigheid van de verschillende ritmes in de zang weergeven als een balans, waarbij de basis gevormd wordt door het afgezette ritme en op de balans aan de ene kant de continue ritmes liggen en aan de andere kant de onderbroken ritmes.

Dit betekent dat als de balans aan de kant van de toeren in het continue ritme zwaarder is, dat er dan minder toeren in het onderbroken ritme zullen voorkomen en vice versa

Een juist evenwicht is eigenlijk niet te bereiken, zelfs al zouden we onze vogels met voorzangers trainen. We maken het onszelf dan enorm moeilijk, als we hier nog aan zouden toevoegen dat de kanarie alle verschillende toeren uit de keurlijst zou moeten brengen – of tenminste zoveel mogelijk toeren – die worden weergegeven in dat onnatuurlijke zangschema zoals door de mens is ontwikkeld, want dat is immers wat de standaard is. Uit deze gedachte komt voort dat velen van ons voor de kwaliteit gaan en niet voor de kwantiteit. Niet de hoeveelheid toeren telt, maar de kwaliteit van de toeren die gebracht worden. We geven er de voorkeur aan om ons te richten op bepaalde toeren en dat onze Timbrado’s, hierop gebaseerd, een rijke, gevarieerde en kwalitatief goede zang brengen. En niet proberen alle toetsen van een instrument aan te raken zonder dat er een goede noot ontstaat. Het beste voorbeeld van wat hier gezegd wordt, vinden we bij de Harzer Roller.

Zijn tegenwoordige zang is ontstaan uit een vergaande selectie door Duitse kwekers gebaseerd op dominantie van de continue toeren, deze toer is de basis toer van de zang van de Harzer Roller; en zeker, het is mooi, delicaat en niet te evenaren op muzikaal gebied; buigingen in de roltoeren die de aandacht trekken van de luisteraar. Misschien iets wat enkele van de grondleggers van onze Timbrado wilden imiteren met de ontwikkeling van de eerste standaard waarin de Timbre, een toer met een continu ritme, de basis vormde voor het lied van de Spaanse Timbrado. Wellicht was het ook juist om deze reden dat de internationale erkenning in 1956 voor de Timbrado als zangkanarieras geweigerd werd, toen men in de internationale commissie vaststelde dat het ras niet zuiver was omdat kruisingen hadden plaatsgevonden met de Harzer Roller. De specialisatie op continue toeren heeft er bij de Harzer Roller echter wel toe geleid dat slechts een minimum van zijn repertoire gebracht wordt (tenminste in de holle klassieke zangrichting)[1].

Zoals ik hiervoor al gezegd heb, zal elk van onze kwekers die methoden gebruiken die het best naar zijn doel toe leiden, daarbij uitgaande van zijn eigen concept van ideale zang, of, op zijn minst, ernaar streven om die vogels te verkrijgen die het dichtst bij het gewenste type zang komen. Daarom, en ervan uitgaande dat de kweekruimte (of ruimtes) waarin we onze kanaries houden aan de eisen voldoet[2], moeten we een aantal regels in acht nemen:

1) Maak een zorgvuldige selectie van de kweekvogels, uitgaande van de karakteristieken die we willen behalen in onze kanaries.

 2) Stel de koppels samen gericht op het doel om de aanleg tot bepaalde gewenste karakteristieken te versterken.

 3) Geef de kanaries veel aandacht en verzorging voor, tijdens en na de kweek, zodat ze steeds een optimale gezondheid genieten en wij een maximale bijdrage van de vogels ontvangen in de verschillende fasen van hun levens cyclus.

 4) Zorg voor een omgeving waarin de jonge kanarie zich optimaal kan ontwikkelen en waarbij voorkomen wordt dat de jonge kanarie volwassen kanaries kan horen en kan imiteren.

Practisch is het zo dat het werk van elke kweker van zangkanaries bestaat uit een steeds weerkerende cyclus waarin de volgende fases te onderscheiden zijn:

bullet

     Selectie van de kweekvogels

bullet

     Samenstellen van de koppels en de kweek.

bullet

     Jongen in de vlucht

bullet

     Opkooien in individuele kooien en rijping van de zang.

bullet

     Training en wedstrijden……. en weer opnieuw beginnen.

Elke fase is de voorbereiding op de volgende fase en heeft een grote invloed op de fases die volgen. Daarom is de som van het geheel zo belangrijk en mag onze aandacht in geen enkele fase verslappen. Uiteindelijk kunnen we zo de best mogelijke resultaten behalen. In elke fase zijn enkele doelen te bereiken, als we in een fase falen zijn we onherstelbaar veroordeeld tot mislukking.

In deel 2 worden deze verschillende fasen beschouwd in relatie tot de selectie voor de kweek.

 

 

Noten:

1) Een Harzer in de holle zangrichting kan, volgens de klassieke kwekers, de maximale punten  bereiken als het repertoire gericht is op vier toeren uit de keurlijst die fundamenteel zijn voor deze richting: Hohlrollen, Knorren, Hohlklingel en Pfeifen (de eerste twee zijn continue toeren, de volgende afgezet en de laatste onderbroken).

2) Het zou ideaal zijn als we over verschillende ruimtes zouden beschikken waar we vogels kunnen houden, maar vandaag de dag beschikken we vaak niet over zoveel ruimte en moeten we het dus doen met wat mogelijk is. Tenminste hebben we een ruimte nodig voor de volwassen vogels, voor na de kweek, en een andere ruimte voor de jongen. We concentreren ons nu op de ruimte waar de jongen vogels verblijven, waar ze de volwassen vogels niet mogen horen. Het moet een rustige ruimte zijn, vrij van plotselinge temperatuur veranderingen, goed te ventileren en met natuurlijk licht dat in intensiteit te regelen is, bijvoorbeeld met behulp van luxaflex, gordijn, luiken etc., steeds alert op wat de ontwikkeling van de zang vraagt oftewel hoe de zang zich ontwikkelt. Zo mogelijk plaatsen we een muziek apparaat aangesloten op een tijdklok om het moeilijker te maken dat onze kanaries zich richten op de zang van de rest van de vogels in de vlucht of op de zang van vogels buiten de ruimte (vogels van de buren, wilde vogels zoals bijvoorbeeld de spreeuw).

 

 

 

Hoofdstuk  2 - Selectie van de kweekvogels

2.1. Introductie

Ik geloof dat het onnodig is om te motiveren waarom de selectie van de juiste paren bij de kweek zo belangrijk is, niet alleen bij het kweken van onze zangkanarie, maar bij de fok met elke diersoort. In tegenstelling van wat in het wild gebeurt, waar een natuurlijke selectie van de soort plaatsvindt op basis van het beste aanpassingsvermogen, en in de grote volières waar nagelaten wordt om paren te vormen en waar de vogels maar hun gang gaan, heeft de serieuze kweker de moeilijke opgave om de juiste kweekvogels te selecteren en de paren zo samen te stellen dat de gewenste eigenschappen waar de vogels over dienen te beschikken maximaal tot uiting en ontwikkeling komen. 

Vanzelfsprekend zijn alle levensfasen van de kanarie bij de selectieve kweek van belang, maar in de selectie van de juiste paren ligt de basis van ons werk; als we in deze fase een fout begaan, is het mogelijk dat de genetische eigenschappen niet goed vererven en dat ons werk, ondanks dat we de andere fases perfect uitvoeren, tot mislukken gedoemd is.

De ervaring van de kweker speelt uiteraard een bepalende rol als voor de kweker het moment aanbreekt om de juiste paren te selecteren voor de kweek. Dat maakt het voor de beginnende kweker praktisch onmogelijk om zijn gebrek aan ervaring te compenseren met theoretische adviezen, zoals we in deze tekst gaan tegenkomen. Maar ondanks dat we hier op heldere en duidelijke wijze uiteen willen zetten wat de basis vormt en de uitgangspunten om de juiste kweekvogels te selecteren, zonder de wedstrijden en hulp van ervaren kweken zullen deze adviezen van weinig tot geen hulp zijn. In het begin is het succes van een kweker direct af te meten aan zangkanarie kwekers die hem op weg hebben geholpen. Het is zelfs in deze eerste jaren nog belangrijker te beschikken over een goede technische begeleiding dan over kanaries die beschikken over een enorm goede genetische kwaliteit. We hebben er niets aan om exemplaren aan te schaffen van bewezen hoge kwaliteit, als we niet weten wat met die vogels te doen om maximale kweekresultaten te behalen.

Maar dan nog, veel veteranen onder ons zijn toch niet in staat om op de juiste wijze kweekvogels te selecteren en de juiste kruisingen op te zetten. Hoewel ze soms over vele jaren ervaring beschikken, en de zang van het ras door en door kennen, over een groot muzikaal gehoor beschikken en ware meesters zijn in het op de juiste wijze verzorgen van de kanaries in al zijn levensfases, van de jonge kanaries die hun eerste gemurmel laten horen, via de fase van de plastische zang, tot het moment dat de zang gesloten wordt.

Daarom is het zo belangrijk dat er samenwerking tussen kwekers onderling  ontstaat, wat je ziet gebeuren bij zovele kleine verenigingen of speciaalclubs, waar de verbetering van het ras als doel voor een ieder centraal staat (onder zulke omstandigheden, bij dit soort groepen van kwekers met een doel, ontstaat vaak een gezonde en solidaire Kanariekweek-cultuur, gebaseerd op wederzijds vertrouwen en de onderlinge wil om elkaar te helpen). Het bestaan van dit soort verenigingen verklaart hoe vele kwekers de vruchten van het succes al kunnen plukken als beginnend kweker zonder ervaring, waarbij het zonder bijeenkomsten en hulp van de rest van de vereniging, zeker vele jaren geduurd zou hebben om datzelfde niveau te bereiken. Als de beginnende kweker tenminste niet al eerder de handdoek in de ring geworpen zou hebben, er genoeg van hebbende om elk jaar weer nieuwe kanaries te kopen en steeds weer opnieuw tegengestelde adviezen te krijgen zonder een enkel resultaat te behalen. De beslissing om op een andere soort over te stappen of zelfs om de liefhebberij te verlaten, zou dan voor de hand liggen.

 

2.2 Doelen

 Ons doel is het kweken van kanaries die, binnen de randvoorwaarden die worden aangegeven in de standaard van het ras en met een mooie en melodieuze klank, een verstaanbaar lied brengen met een goede uitspraak en muzikaal lied, gevormd door de beschikking over het geheel aan mogelijkheden van zijn stem en brede toonregister, een serie of series van toeren zo rijk en gevarieerd als mogelijk, met aandacht voor zijn organische en lichamelijke beperkingen, en zonder ooit de kwantiteit voor de kwaliteit te stellen.”

Dit doel is algemeen voor alle kwekers van zangkanaries, onafhankelijk van het ras dat ze kweken.

 

2.2.1. Parameters van de zang, volgens de standaard van het ras.

Fundamenteel is het om, binnen de standaard van het ras, te bepalen welk type zang wij wensen voor onze kanaries. Want alleen al binnen ons zangkanarie ras, hebben we gezien dat we drie verschillende zangrichtingen kunnen tegenkomen, die allen stuk voor stuk uitgaan van de toeren die op de keurlijst vermeld staan. Nogmaals samengevat spreken we over:

1) Kwekers die zoeken naar de zang die uit alle, of tenminste uit zoveel mogelijk, toeren bestaat die voorkomen op de keurlijst. Hun ideale keurlijst ziet er als volgt uit:

 

Keurlijst

Timbres…………………………………….......(9)

5

Variaciones Rodadas………………..….(18)

9

Timbre de Agua……………………….......(9)

5

Cascabel…………………………………........(9)

4

Floreos…………………………………….......(27)

16

Floreos Lentos………………………….....(27)

17

Campana………………………………….......(9)

3

Cloqueos…………………………………......(18)

12

Castanuelas……………………………….....(9)

4

Variaciones Conjuntas………………….(27)

16

Agua Lenta……………………………….....(18)

3

Agua Semiligada…………………………...(9)

3

Indruk……………………………………….......(3)

3

Totaal

100

  

2) Kwekers die het lied van hun vogels selecteren op basis van het ritme van de niet continue toeren (dus de onderbroken toeren), om zo te bewerkstelligen dat het lied gevarieerd wordt en bestaat uit een veelheid van verschillende toeren waarvan de fonetische tekst ongelimiteerd is. Hun ideale keurlijst ziet er als volgt uit:

Keurlijst

Timbres……………………………………........(9)

 

Variaciones Rodadas………………..….(18)

 

Timbre de Agua……………………….......(9)

 

Cascabel…………………………………........(9)

 

Floreos………………………………….......…(27)

23

Floreos Lentos………………………….....(27)

25

Campana…………………………………........(9)

 

Cloqueos…………………………………......(18)

15

Castanuelas………………………………......(9)

 

Variaciones Conjuntas………………….(27)

23

Agua Lenta……………………………….....(18)

7

Agua Semiligada…………………………....(9)

4

Indruk……………………………………….......(3)

3

Total

100

 3) Tot besluit, de kwekers die van gecombineerde zang houden, ergens tussen de eerste en de tweede in, zoekende naar de onovertroffen schoonheid van de toeren die onderbroken zijn en fonetisch ongelimiteerd, zonder zich te storen aan de aanwezigheid van continue (ononderbroken) toeren in het lied. Hun ideale keurlijst ziet er dan zo uit:

Keurlijst

Timbres…………………………………….......(9)

3

Variaciones Rodadas………………..….(18)

4

Timbre de Agua……………………….......(9)

3

Cascabel…………………………………........(9)

 

Floreos…………………………………….......(27)

20

Floreos Lentos………………………….....(27)

22

Campana………………………………….......(9)

 

Cloqueos…………………………………......(18)

14

Castanuelas……………………………….....(9)

 

Variaciones Conjuntas………………….(27)

20

Agua Lenta……………………………….....(18)

6

Agua Semiligada…………………………....(9)

5

Indruk……………………………………….......(3)

3

Total

100

 

Over persoonlijke smaak valt niet te twisten, er zijn geen voorschriften hieromtrent en de standaard van de Timbrado voorziet erin om recht te doen aan de drie generieke varianten die hierboven omschreven worden en ook aan zoveel ideale keurlijsten als er kwekers bestaan.

De kwekers die deel uitmaken van de Vereniging van zangkanariekwekers in Zaragoza (“Cesaraugusta”) identificeren zich in de groep kwekers die onder twee omschreven staan, waarbij onze ideale keurlijst er dus als volgt uitziet:  

Keurlijst

Timbres…………………………………….......(9)

 

Variaciones Rodadas………………..….(18)

 

Timbre de Agua……………………….......(9)

 

Cascabel…………………………………........(9)

 

Floreos…………………………………….......(27)

23

Floreos Lentos………………………….....(27)

25

Campana………………………………….......(9)

 

Cloqueos…………………………………......(18)

15

Castanuelas……………………………….....(9)

 

Variaciones Conjuntas………………….(27)

23

Agua Lenta……………………………….....(18)

7

Agua Semiligada…………………………....(9)

4

Indruk……………………………………….......(3)

3

Totaal

100

 

Bij de vereniging van zangkanariekwekers “Cesaraugusta”, proberen we ons doel als volgt te bereiken. Alle kwekers van zang, passen selectie toe gebaseerd op het verbeteren van de toeren in het niet-continue ritme, dat wil dus zeggen dat we selecteren op de onderbroken toeren. In onze kweekverblijven sluiten we dus die vogels uit van de kweek die zang brengen in het continue ritme, hetzij als hoofdtoer of als bijtoer (bijvoorbeeld de timbres met metaalklank en de Variaciones Rodadas, de roltoeren). De meest strikte en consequente kwekers zullen alle vogels van de kweek uitsluiten die in hun lied, al is het maar heel even, een toer in het continue ritme brengen. De specialisatie in de toeren van het niet continue ritme (de onderbroken toeren) gaat samen met een verrassende ontwikkeling van de mogelijkheden van onze kanarie. De kanarie brengt vervolgens enorm veel variatie in toeren, met het niet te evenaren en aangeboren muzikale talent van de Spaanse zangkanarie. Voor wie deze zang voor het eerst hoort is het praktisch onmogelijk  om niet stil te blijven staan en zich af te vragen hoe het mogelijk is dat zo’n klein diertje in staat is, zo uit zichzelf, deze prachtige en breekbare melodieën te componeren zonder dat deze zang op onnatuurlijke wijze is aangeleerd. Uiteraard zijn het slechts weinige kanaries die in staat zijn om deze bijzondere zang te brengen, minder dan wij zouden wensen, maar elk jaar zijn het meer exemplaren die te voorschijn komen uit de zware selectie die wij ze laten ondergaan.

Om ons doel nog concreter weer te geven: wij willen kanaries verkrijgen die zang brengen vanuit hun genetische aanleg, zonder hulp van volwassen exemplaren, waarbij de zang gebaseerd is op de rijke en gevarieerde toeren van het niet continue ritme (dus het discontinue ritme), waarbij de fonetisch ongelimiteerde toeren de zang overheersen (Floreos, Floreos Lentos en Variaciones Conjuntas), en voorgedragen in een goed en melodieus lied, waarin het mogelijk is om de lettergrepen te onderscheiden, met een goede uitspraak. Het lied vormt zo een meesterlijk muzikaal geheel, een manifestatie van de volledige beheersing van de mogelijkheden van het stemgeluid[1] en van het brede toonregister, een serie of verschillende series van toeren zo rijk en gevarieerd mogelijk, alleen beperkt door wat de zangorganen kunnen en door lichamelijke beperkingen. Daarbij zal nooit het aantal toeren (kwantiteit) belangrijker zijn dan de kwaliteit van de toeren.

Het is goed om nog even in herinnering te brengen, hetgeen al eerder gesteld is maar van essentieel belang bij onze selectie, namelijk:

“De erfelijke aanleg van de kanarie vormt de basis om een onbeperkte serie toeren voort te brengen. Deze serie is weliswaar beperkt in aantal. De toeren worden gevormd tot een melodie na een periode van oefening (plastische zang) en zijn gedetermineerd door de morfologie van het exemplaar, die min of meer geschikt is, en door de omgevingsfactoren tijdens het proces van het volwassen worden.”

Wij werken aan de verbetering van het geen erfelijk bepaald is, de zogenaamde genetische aanleg van de zang, door alleen die vogels te selecteren en voor de kweek in te zetten die afkomstig zijn uit familielijnen die hun zang baseren op het niet-continue of onderbroken ritme, en waarbij de mannen duidelijk hun talenten getoond hebben in deze bepaalde zangrichting.

 

2.2.2. De klank

Het moge duidelijk zijn dat de basis van elke zangkanarie gelegen is in zijn klank. Een goede klank impliceert een perfect zangapparaat, een werkelijk zeer gecompliceerd geheel, waarin een groot aantal organen met elkaar samenwerken.

 

 

De lucht die verzameld wordt in de longen en in de luchtzakken wordt door de kanarie uitgestoten. Voordat de lucht in de traquea komt, waar ze verspreid wordt over de bronchiën, komen we de syrinx tegen, het zangorgaan van de vogel, dat wel vergeleken wordt met onze larinx.

De syrinx bestaat uit een complex orgaan, dat functioneert dankzij een bijzonder systeem van spiertjes[2], dat samentrekt als de luchtdruk buiten de syrinx, de inhoud van de luchtzak (interclaviculae) die om de syrinx heen ligt, druk uitoefent doordat een soort membranen (timpaniformes[3] genoemd) gespannen worden en vibreren op het moment dat de lucht er langs glijdt die afkomstig is uit de longen. En zo wordt het geluid dan geproduceerd[4]. De toon of de frequentie van het geluid varieert afhankelijk van de activiteit van de spieren in de syrinx, reagerend op meer of minder spanning in de membranen (timpaniformes). Het geluid passeert vervolgens de traquea, waar die ook nog eens gemodificeerd kan worden. Traditioneel verdedigde men dat de klank van het geluid gevormd kon worden in de traquea door samentrekken of ontspannen van deze, maar de wetenschap hecht niet veel waarde aan deze veronderstelling[5]. Bij het passeren van de larynx, afhankelijk ervan of deze meer of minder open is, kan de toon ook nog aan vervorming worden blootgesteld.

Tot slot komt het geluid aan bij de keeluitgang en de snavel, waar naar wij geloven[6], de definitieve articulatie plaatsvindt en de transformatie naar de verschillende klanken die wij horen en die, afhankelijk van de duur van de klank, structuur en complexiteit, door ons onderverdeeld worden in lokroep, schreeuw of zang [7]. 

Ook noemen we nog de keelzak van de man die als klankkast gebruikt wordt (de keel die gevuld wordt met lucht en daarmee effect heeft op de uitgang van de traquea, en op deze wijze de klank mede vorm geeft.)

In navolging van het bekende “Kweek en zang van de Harzer Roller”, van Evaristo Fratantoni, noemen sommige Spaanse auteurs en ook sommige Zang Standaarden de onderstaande fysieke factoren die de zang beïnvloeden

bullet

De omvang van de bronchiën. Brede bronchiën veroorzaken een verlies van snelheid
waarmee lucht uitgestoten kan worden; het tegenovergestelde gebeurt bij smalle bronchiën,
die lucht met meer snelheid kunnen uitstoten.

bullet

De lengte van de buitenste traquale spier. Als deze kort is kan de traquea onmogelijk uitrekken.
Een korte traquea of met minder mogelijkheid om te rekken beïnvloed de klank van het geluid.

bullet

De stijfheid van de wanden van de traquea, waarbij de flexibiliteit eveneens de klank
van de het lied beïnvloedt.

bullet

De positie van de larynx. Omdat in de larynx zich geen stembanden bevinden, kan deze
meer geopend of meer gesloten zijn en zo ook de klank beïnvloeden.

We hebben nu gezien dat de opinie van wetenschappers niet volledig overeenkomt met de observaties van Fratantoni, maar we geloven dat het passend is om bovenstaande te citeren, zodat de lezer er kennis van kan nemen.

Het complexe zangorgaan dat we hiervoor omschreven hebben, staat onder controle van het centrale zenuwstelsel, waarbij twee principale hersenkernen essentieel zijn: het Superieure Vocale Centrum (in het engels HVC) en de robustus archistrialis  (RA)

 Noot bij de vertaling: In de oorspronkelijke tekst wordt hier nog dieper ingegaan op de lichaamsbouw van de kanarie in relatie tot de zangorganen.. Het gaat me te ver om dit te vertalen:  – erg specialistisch en in een terminologie die alleen gebruikt wordt onder wetenschappers in een gespecialiseerd vakgebied. Ik heb de vrijheid genomen om een pagina over te slaan. 

 

Een deel van de hersenen wordt gerelateerd aan de mogelijkheden die de vogel heeft om te leren, de gave om te herinneren. Recente studies laten zien dat voor het herinneren van een lied een dubbel mechanisme een rol speelt: in de eerste plaats het zanggeheugen dat een rol speelt bij de ontwikkeling van de zang, wat geuit wordt in de plastische zang of studiezang, en in de tweede plaats het zanggeheugen dat een rol speelt bij het horen van zang van andere kanaries. Beide mechanismes interveniëren, aangetoond door het feit dat een kanarie zonder gehoor, niet in staat is om normale zang te ontwikkelen, wat zonneklaar aantoont dat de vogel zijn eigen zang moet kunnen horen om de klanken te herhalen en daarmee een lied te componeren.

De wetenschappers, waarbij Fernando Nottebohm eruit springt, (aan hem danken we de meeste studies over de wijze waarop het zenuwcentrum de zang bepaalt) hebben aangetoond dat tijdens de seksuele ontwikkeling van de vogel er een verandering in omvang plaatsvindt in de hersenen van de vogel, speciaal in het Bovenste Vocale Centrum en in het RA. De omvang van de SVC en van de RA is bij de mannen veel groter dan bij de poppen. Ook is aangetoond dat de omvang van deze centrale zenuwcentra een directe relatie heeft met het gehalte aan hormonen in de bloedbaan, vooral de mannelijke hormonen: het testosteron: hoe hoger het hormoongehalte, hoe groter de omvang van deze centrale zenuwcentra[8]. Ook is de omvang van deze centrale zenuwcentra wel gerelationeerd met zang van grotere of minder grote complexiteit, variëteit in of de duur van de zang. Echter een grotere omvang van SVC of RA, impliceert niet direct een rijkere zang, het ontbreken ervan wil alleen zeggen dat de vogel niet in staat is zich te ontwikkelen[9].

 

[Noot bij de vertaling: Zie ter verduidelijking het schema van Nottebohm hieronder, dat in de oorspronkelijke tekst niet is opgenomen]

 

Terugkerend naar de hipoglose zenuwen, die, zoals we gezien hebben, de zenuwen zijn die de informatie overbrengen tussen de syrinx en de hersenen, waarbij de rechtse hipogloseum de rechterhelft van de syrinx beheerst en de linker hyplogloseum de linkerhelft. Dit verklaart voor de wetenschappers het onafhankelijk van elkaar functioneren van elk van de delen van de syrinx.

Hoe het ook zij, de wetenschappers hebben laten zien dat bij het functioneren van de syrinx de interventie tussen elk deel van de syrinx ongelijk is, waarbij het de linkerkant van de syrinx is die het grootste gewicht in de schaal legt bij het produceren van geluid, zowel bij kanaries als bij alle zangvogels (het stemorgaan wordt gedomineerd door de linker helft).

De gerealiseerde studies laten zien, dat bij het niet functioneren van de rechter zenuw hypogloseum, in de zangstructuur elementen ontbreken, die dan vervangen worden door een ruis of door stilte; in tegenstelling bij beschadiging van de linker zenuw, dan verdwijnen de meeste elementen in de zangstructuur. Het effect op de zang van de beschadiging van de linker zenuw, is afhankelijk van het ontwikkelingsstadium van de vogel op het moment dat de beschadiging plaatsvindt.  

Tijdens de murmelfase (Pre zang):
Na een korte tijd, zal de jonge vogel alsnog normaal zijn zang ontwikkelen, de rechter zenuw neemt het functioneren van de linker zenuw over. De linkerzenuw herstelt niet, hoewel er enkele uitzonderingen op de regel zijn, waarbij de kanarie helaas tot de uitzonderingen behoort. Als de beschadiging voor de zevende levensdag optreedt, herstelt de zenuw zich en zullen beide kanten van de syrinx gebruikt worden om zang ten gehore te brengen (er zullen geluiden door het rechterdeel geproduceerd worden en andere geluiden waarbij beide helften interveniëren.

Tijdens de studiezang:
De vogel is voor het leven getekend, omdat hij niet de typische zang ontwikkelt van de volwassen vogel. De kanarie is opnieuw een uitzondering, omdat de kanarie in staat is het verlies aan de linkerkant op te vangen met de rechterkant, en in staat is om zijn zang te sluiten als elk ander volwassen exemplaar.

Tijdens de stabiele volwassen zang:
De geluiden die door de linkerkant geproduceerd worden, worden vervangen met stiltes of ruis.

In de zoektocht naar de beste dragers van erfelijke eigenschappen op het gebied van de zang, hebben de kwekers naar zichtbare eigenschappen gezocht, die zouden betekenen dat de zangvogels over betere eigenschappen beschikken. Voorbeelden hiervan zijn:

- een grote kop
- een brede borst
- de gemiddelde grootte
[10]
- de wijze waarop de kanarie ligt als hij zingt
[11]

De eerste drie morfologische eigenschappen lijken, de hiervoor genoemde studies in aanmerking genomen, een indicatie te geven voor een grotere hersenomvang, een beter ontwikkeld ademhalingssysteem en zang die beter ontwikkeld is, meer muzikaal, niet scherp, niet te hard.

 

2.2.3. Conclusies

1) We moeten zoeken naar de perfectie in de zang van onze kanaries. Het timbre, de klankkleur, moet rijk zijn en overeenkomen met de karakteristieken van de toeren die we in het repertoire van onze kanarie willen ontwikkelen. Een kanarie zou over een zo breed mogelijk toonregister moeten beschikken of moeten kunnen ontwikkelen. Bovendien, moet de zang zo ontwikkeld worden dat de geschikte intensiteit op het juiste moment gebracht wordt, met mogelijkheden om te moduleren en een lied dat bestaat uit prachtige muzikale toonstukjes. De zang die door onze kanaries gebracht wordt, moet schoon en zuiver zijn, met een excellente uitspraak van de lettergrepen (waarbij de klinkers overheersen, dat is muzikaler dan als de medeklinkers overheersen) en met  toeren die juist lang genoeg aangehouden worden om gewaardeerd te worden in het lied en zonder repeterende toeren die het lied monotoon maken.

2) We streven ernaar om vogels te verkrijgen waarbij de zang zo nauw mogelijk onze ideale keurlijst benaderd. Om dat te verkrijgen, moeten we werken aan het basispatroon in het lied van onze kanaries. Dit doen we door in principe de toeren die niet continue zijn te ontwikkelen. Als we ons zouden richten op de afgezette toeren of de semi-discontinue toeren, zou dit door de versnelling (ritme!) in het lied een duidelijk verlies aan muzikaliteit tot gevolg hebben

 

2.3 Wijze van selectie; de selectie van kweekvogels.

Er bestaan verschillende methoden van selectie, die de kweker kan gebruiken, afhankelijk van het doel dat hij wil bereiken. Hier richten we ons op een integrale selectiewijze, die de selectie op basis van het fenotype combineert met functionele selectie en selectie op basis van genetische kenmerken.

Ons primaire doel is zeker het verbeteren van de zang, versterkt door het morfologische type van de vogel die de fysieke zangmogelijkheden ten goede komen. Daarnaast de genetische selectie en de opbouw van een goede zanglijn, de functionele selectie dus, waarbij het zonder goede conditie van de vogel, gezondheid en vitaliteit onmogelijk is om een bevredigende zang te ontwikkelen. Onder selectie van het juiste fenotype verstaan we die selectie op uiterlijke kenmerken en waarbij het ideaal beeld ontstaat zoals eerder omschreven[12][13][14]

Om die functionele selectie te realiseren, is het duidelijk hoe belangrijk het is om een perfecte omgeving te creëren, waarbij onze vogels onder hygiënische omstandigheden goed kunnen floreren. Deze karakteristieken faciliteren de kweek, gegeven dat de waarde van een goede reproductie een indicatie geeft voor de functionele selectie. Bij wijze van voorbeeld noemen we enkele van de parameters die we gebruiken om de functionele waarde van de kweekvogels vast te stellen, in relatie tot individuele karakteristieken en familiekenmerken: de overlevingskans van netgeborenen, de groei, de ontwikkeling, nest verlaten en leeftijd dat de jongen zelfstandig eten, vitaliteit, resistent tegen ziektes, gedrag in het nest, vruchtbaarheid, etcetera. De opmerkingen op een kweekkaart[15] maken het ons makkelijker om de functionele waarde vast te stellen, hoe meer gegevens we verzamelen, hoe beter bruikbaar de registratie zal zijn.

Tenslotte passen we ook genetische selectie toe, functioneel gebaseerd op het fenotype en de functionele waardering van de voorouders van onze vogel, waar we nog aan toe kunnen voegen, tenminste bij volwassen exemplaren, de afstamming (de genetische vererving). Ook kunnen we hierbij de fenotypsche karakteristieken van andere verwanten in aanmerking nemen (broers, neven, enzovoort). Ook moeten we niet vergeten om een analyse van de bloedverwantschap te maken, waarin we verschil aangeven, hoewel de realiteit complexer is, tussen bloedverwantschap in rechte lijn (tussen 1e en 2e graad verwanten), half verwant (tussen 3e en 4e graads verwantschap) of ver verwant (vanaf de 5e graad en verder)[16].

We moeten de mate van verwantschap in graden niet verwarren met de mate van genetische verwantschap, dit laatste lezen we af met het gebruik van redelijk ingewikkelde wiskundige formules, soms moeilijk toepasbaar door de kruisingen die we uitvoeren. Het meest adequate instrument om de functionele genetische waarde vast te stellen van een familie of van een bloedlijn, is het gebruik van een stamboom van de vogel[17][18].

Net als bij de kweek registratie kaart, is het van belang om de stamboomgegevens zo uitgebreid mogelijk op te nemen. Hoe meer gegevens de stamboom geeft, hoe bruikbaarder de gegevens voor de kweker zullen zijn. Als gegevens ontbreken, is de stamboom alleen maar bruikbaar voor de kweker zelf, maar heeft in de meeste gevallen geen grote meerwaarde voor anderen.  

Binnen de methode van integrale selectie zullen we soms meer gewicht toekennen aan de ene vorm van selectie, soms meer aan de andere vorm van selectie. Dit hangt uiteraard af van welke aspecten van onze kanaries we willen verbeteren. Als we bijvoorbeeld tijdens de kweek ervaren dat er serieuze problemen ontstaan, die te wijten zijn aan achteruitgang van de reproductieve eigenschappen, dan ligt het voor de hand dat we bij de fenotypische en bij de genotypische selectie daar juist op letten, om te voorkomen dat het werk van vele jaren verloren zal gaan. We zullen dan enkele jaren juist moeten selecteren met als doel om de reproductieve eigenschappen te verbeteren. 

In sommige gevallen, gebruiken we exemplaren met een onbevredigende zang om de genen van een uitstekende bloedlijn te behouden, waarbij we dus meer letten op de genetische afstamming dan op de kenmerken van het fenotype.

 

2.4.- Selectie van de mannen

De selectie van de mannen realiseren we door het voorgaande toe te passen, waarbij we gebruik maken van de volgende parameters:

1º) Afwezigheid van voorzang met meesterzangers of audio weergave.

2º) De perfectie van de stem, waaraan inherent is het timbre oftewel de klankkleur met een te onderscheiden weergave van de tonen, die een goed zangapparaat en een goede gezondheid manifesteert.

3º) Een lied dat gedragen wordt door de klinkers, met daarbij een correcte controle over de tonen en de intensiteit van de zang en goede uitspraak. 

4º) Het muzikale talent of de vaardigheid, die gemanifesteerd wordt door een voordracht met rustpunten, ritmisch en melodieus, met rijke modulatie in de tonen en in de intensiteit in het lied en verschillende toeren of variaties, die van een juiste duur zijn en samen het lied vormen van de kanarie.

5º) De voordracht van een gevarieerd repertoire, gebaseerd op de niet continue toeren, met de basis in de discontinue toeren die ongelimiteerd zijn (de Floreos, Floreos Lentos en Variaciones Conjuntas) aangevuld met andere toeren die niet continue zijn, zoals de Clocqueos en een minimaal snufje van de Timbre in water (bij voorkeur Agua Lenta en Semiligada in de Variaciones Conjuntas met Cloqueos) [19].

6º) Een repertoire zonder negatieve toeren (rascada, estridencia en nasalidad); degeneratieve tonen (dat zijn de tonen die  fonetisch zo gevormd zijn dat ze het risico van negatieve toeren als rascada, estridencia en nasalidad in zich dragen, bijvoorbeeld de medeklinkers Ch, R en G; en de klinkers E, I en A, als ze tenminste niet vergezeld gaan van andere fonetica, die de klank verzacht); en van toeren die in het continue ritme gebracht worden [20] (deze toeren mogen in ieder geval geen deel uitmaken van de basisstructuur en ook geen steuntoeren zijn in het lied)[21]; Echter, wanneer een exemplaar een toer in het continue ritme brengt die slechts kort aangehouden wordt, bij het begin of aan het eind van zijn lied, of in de uitloop van een floreo of variacion conjunta die op R eindigt, zonder daarbij afbreuk te doen aan de toeren van het discontinue ritme, kunnen we de toer tolereren. Als daarentegen bij de nakomelingen van deze vogel een toename van de toeren in het continue ritme optreedt, dan is het zaak om dit exemplaar van de kweek uit te sluiten, ervan uitgaande dat we teveel afwijken van de zangrichting waarnaar we streven.  Als kweekvogel is een vogel die zichzelf herhaald en een minder gevarieerd repertoire brengt maar zonder fouten, te prefereren boven een vogel met een rijk repertoire en veel variatie, maar met defecten. 

7º) De rol van de vogel in de vlucht, de hiërarchische positie (een dominant of een niet dominante vogel) [22].

8º) Een geschikt morfologisch type (grote kop, brede borstkas, brede rug, gemiddelde maat, korte poten, gladde bevedering, compact en glanzend…) en een zanghouding zoals het hoort (horizontaal). Volgens Giorgio de Baseggio, vererft de man aan zijn afstammelingen in negen van de tien gevallen, de onderstaande karakteristieken:

·        Afmeting (een forse, gemiddelde, of een kleine vogel).

·        Glans en kwaliteit van de bevedering.

·        Postuur  (de wijze waarop de vogel zijn harmonische schoonheid ten toon spreidt in de vlucht)

 

9º) Hoewel impliciet volgend uit het voorgaande: een perfecte gezondheidstoestand.

10º) De kweekregistratie en de stamboom die getuigen van de aanwezigheid van de genoemde fenotypische, genetische en functionele kenmerken bij de voorouders van de vogel of bij zijn afstammelingen (in het geval van een volwassen exemplaar) en andere verwanten, waarmee een  garantie wordt gegeven dat de gewenste kenmerken vererven in de volgende generatie.

Het is alleen maar mogelijk om alle genoemde parameters te kennen, als het vogels uit onze eigen kweek betreft, of vogels van een bevriende kweker die je honderd procent kunt vertrouwen.  In de rest van de gevallen moeten we afgaan op goed geloof en de eerlijkheid van de kweker waarvan we vogels willen verkrijgen.

Als de keuze valt op een man van een andere kweker dan is zowel de correcte uitspraak en analyse van de zang van belang als ook kennis van de omgevingsfactoren die invloed hebben uitgeoefend vanaf de geboorte tot aan het sluiten van de zang (de afwezigheid van voorzang, horen van andere vogels van de kweker, de kennis van de kweker over zijn vogels, de ruimte waar de vogels gehouden zijn, de voeding, etc.) en uiteraard, de stamboom op papier (met zo mogelijk een beoordeling erbij van de zang en van het fenotype dat de vogel vererft)
[23].

 

We selecteren nooit als kweekman een man waarover we geen enkele garantie hebben over zijn genetische waarde, al zingt hij nog zo mooi. We moeten dan bedenken dat zijn zang mogelijk is aangeleerd met voorzang en dan hebben we geen enkele garantie dat het zangtype eigen is aan de vogel (er zijn lijnen speciaal geselecteerd op de vaardigheid om goed te imiteren, vogels die getraind kunnen worden met exemplaren van de ene en van de andere  zangrichting, zonder probleem, dit zijn vogels die er juist op zijn geselecteerd om geen eigen stamlied te brengen[24]).

 

2.5.-    Selectie van de poppen

De selectie van de poppen is nog complexer en moeilijker dan de selectie van de mannen om een voor de hand liggende reden: de mannen zingen en we kunnen zijn zangkwaliteiten waarderen als goed of minder goed, maar bij de pop kan dat niet. Bekijken we eens de parameters waarop we de poppen selecteren in veel gevallen op het oog overeenkomend met die van de mannen.

1º) Afwezigheid, in de kweekruimte, van voorzangers of audio weergave van de zang.

2º) Selecteer poppen die passen bij de geselecteerde kweekman, twee poppen voor elke man (het is de beginnende kweker aan te raden om bij een en dezelfde kweker de mannen en de poppen te halen en om zich bij de keuze te laten adviseren
[25]).

3º) De poppen moeten uit dezelfde zangrichting afkomstig zijn als de mannen aan wie ze gekoppeld worden. Om te beoordelen of de zangrichting van de man en de pop overeenkomstig is, moeten we letten op overeenkomsten in de fonetische uitspraak, de klankkleur oftewel het timbre van de stem, aan de ene kant en aan de andere kant het basispatroon van het lied die de soorten toeren determineert die de kanarie kan brengen. Om de geschiktheid van de zangrichting van het lied te beoordelen, letten we in het geval van de pop in de eerste plaats op het lied van de broers. Om te beoordelen of het basispatroon van het lied overeenkomt, analyseren en waarderen we de zang van de vader en van de broers en halfbroers van de vader, daarbij lettende op de parameters die hierboven genoemd worden onder 2º en  7º
[26]

4º) Waardeer de kwaliteit en complexiteit van de roep van de pop, en van andere geluiden die ze voortbrengt, te gebruiken als indicatie voor de kwaliteit van haar zangorgaan.

5º) Een morfologisch juist type vogel (grote kop, ruime borstkas, brede rug, gemiddelde grootte, korte pootjes, gladde bevedering - compact en glanzend).  We zetten de poppen in om morfologische onvolkomenheden te corrigeren die de mannen laten zien, of in het algemeen om het type te verbeteren. Volgens Giorgio de Baseggio draagt de pop in negen van de tien gevallen erfelijk de onderstaande karakteristieken over:
            - het type
            - het kopje
            - het formaat
            - de lichaamsbouw

6º) Functionele staat van de pop, reproductieve eigenschappen. Lettende op de functie die de pop heeft, is het van essentieel belang om te weten hoe de poppen afkomstig uit een bepaalde lijn of van een bepaalde familie, zich gedragen bij de reproductie. Als slechte verzorging voorkomt in de familie, dan kunnen we ons al veel leed besparen door enige pleegmoeders achter de hand te houden.

7º) Een geboortekaart en afstammingsgegevens, die getuigen van de fenotypische karakteristieken, genetische en functionele karakteristieken die hiervoor genoemd zijn in de ouders, afstammelingen (als het een volwassen exemplaar betreft) en andere familieleden, als een garantie dat haar erfelijke kenmerken overgaan op volgende generaties.


De hierboven genoemde aandachtspunten moeten in beschouwing genomen worden, zowel bij de selectie van poppen uit eigen kweek, als bij de selectie van de pop die van een andere kweker afkomstig is.

  

2.6.-Selectie van pleegmoeders

Bij de kweek van zangkanaries is het beste dat de pop alleen haar jongen kan groot brengen (waardoor we de risico’s van kopiëren uitsluiten). Dit vergt echter van de pop wel een grote inspanning, en vereist van de kweker dat hij overtuigd is van de kwaliteiten van de pop.

Om dit hoofdstuk te besluiten, besteed ik nog aandacht aan de selectie van pleegmoeders, een belangrijk onderwerp op de agenda van elke kweker die met vergaande selectie werkt.

Drie motieven om met pleegmoeders te werken:

1º) Poppen die niet zelf de jongen verzorgen kunnen meer eieren leggen (waarbij het niet aan te raden is om meer dan vier keer te laten leggen, en met een tussentijdse rustperiode van twee weken) en kunnen meer jaren  reproductief zijn[27].

2º) De fenotypische en genotypische selectie op basis van de zang, kan veroorzaakt hebben dat de reproductieve kwaliteiten van de poppen niet voldoende zijn.

 3º) Als we over een lijn beschikken die van zeer hoge kwaliteit is, kunnen we het resultaat van de kweek niet laten afhangen van een enkele zorgvuldig geselecteerde pop, als het essentieel is dat we juist uit een bepaalde combinatie nakomelingen verkrijgen.

Als we niet over een familiegroep beschikken, waarbij de poppen over hele goede reproductieve kwaliteiten bezitten, kunnen we ook geen goede pleegmoeders selecteren. Het is dan nodig om op een andere manier aan goede pleegmoeders te komen. Uiteraard selecteren we dan daarbij alleen op de eigenschappen die van een pleegmoeder vereist worden.

Hoe meer in onze lijn een vergaande selectie is toegepast, en ook bij een grote mate van bloedverwantschap, hoe meer het nodig zal zijn om met pleegmoeders te werken. Ik denk dat we nooit over genoeg pleegmoeders kunnen beschikken, want al hebben we verschillende goede poppen achter de hand, in de kweekperiode kan het altijd gebeuren dat er een pop uitvalt, waarvan we het niet verwacht hadden (al kweekt een bepaalde pop het ene jaar goed, dat geeft nog geen garantie dat de pop het jaar daarna weer goed kweekt. Het komt voor dat de pop in het ene jaar 7 – 8 jongen in een nest groot brengt, als ze echter niet de juiste verzorging krijgt tijdens de rui en in de winter, dan zal ze in de broedperiode niet een jong groot brengen).

                             


Noten:

[1] Als we het hebben over stemgeluid, moeten we daar een aanwijzend voornaamwoord aan toevoegen, dat refereert aan de klank karakteristiek, of beter gezegd, aan de klankkleur of het timbre; zo spreken we over briljante klankkleuren, metaal klank, holle, diep, water, dominerend, zoet, fluitend, etcetera. De klankkleur of timbre wordt bepaald door het instrument, het zangorgaan, en is van daaruit bepalend voor het verschil van de drie internationaal erkende rassen zangkanaries. Het specialisme in de klankkleur of het timbre determineert al de toeren in het lied die typisch zijn voor een bepaald zangkanarieras. De Harzer Roller is geselecteerd op de klankkleur hol en diep (niet te verwarren met een lage toon) en vooral de toeren met een hol timbre domineren; de Waterslager is geselecteerd op het timbre water, kenmerkend zijn dan ook zijn watertoeren; de Spaanse Timbrado, blinkt uit in de klankkleuren briljant en metaal, waarbij de metaalklanken het lied domineren. Dit wil echter niet zeggen dat in deze rassen, binnen de karakteristieke mogelijkheden van hun eigen zangorgaan, we niet de specialisaties herkennen van andere klankkleuren of timbres binnen de marges die het specifieke ras ons biedt en zonder de toeren te identificeren als van een ander ras. Zo kennen we bij de Harzer Roller de lijn van Gluck, oftewel met water. Tot slot, binnen ons ras en gebaseerd op de voorkeur van de kweker, komen we lijnen tegen die gespecialiseerd zijn in Floreos die fluitend gebracht worden, Floreos die domineren, Samengestelde toeren met water, etc. Het is tenslotte de voorkeur van de kweker die bij zijn vogels de selectie toepast, gebaseerd op zijn eigen ideaalbeeld van hoe hij vindt dat zijn vogels zouden moeten zingen.

[2] We onderscheiden in dit complex van spiertjes die betrokken zijn bij het functioneren van de Syrinx, twee externe spieren, de esternotraqueal en de traqueolateral, en vijf paar interne spieren (intrinsecos). In de wereld van de wetenschap bestaat nog steeds de discussie welke van deze spieren verantwoordelijk zijn voor het functioneren van de syrinx. Voor de verdedigers van het model, waarbij de syrinx passief functioneert (Miskinen) zijn het de buitenste spieren (esternotraqueal en traqueolateral) die het functioneren van de syrinx beheersen. Voor de verdedigers van het model waarbij de syrinx actief functioneert (Chamberlain) ligt het zwaartepunt voor het goed functioneren van de syrinx bij de reactie van de interne spieren. Tot slot zijn er ook onderzoekers die stellen dat beide modellen onvoldoende zijn om het complexe functioneren van de syrinx naar tevredenheid te verklaren.

[3] We onderscheiden verschillende membranen timpaniformes,  interne en externe membranen – een deel in de ene en een deel in de andere helft van de syrinx. Het lijkt erop dat bij de kanarie de interne membranen timpaniformes een meer fundamentele rol spelen bij het produceren van geluid.

[4] Uiteraard moet de druk die ontstaat doordat lucht wordt uitgestoten, wel een bepaald niveau bereiken, om de membranen timpaniformes  te laten vibreren, waardoor dan het geluid ontstaat. Als dat niet zo zou zijn, dan zou het de vogel praktisch onmogelijk zijn om het geluid te beheersen. Hoe groter de kracht waarmee de lucht wordt uitgestoten, hoe meer volume of meer intensiteit van de klank er zal ontstaan.

[5] Het schijnt zo te zijn dat als de toon modulaties voortgebracht worden door de traquea, zoals zangkanaries en andere zangvogels die voortbrengen, deze traquea veel langer zou moeten zijn of tenminste veel rekbaarder zou moeten zijn.

[6] Alhoewel we niet weten hoe de articulatie van de klank precies gevormd wordt, we hoeven alleen maar naar de bewegingen van de snavel te kijken om te beseffen dat de cavidad bucolingual  een zekere relatie heeft met de productie van de klanken die wij vervolgens onderscheiden in klinkers en medeklinkers. De dag waarop we weten hoe de articulatie van de vogels werkelijk plaatsvindt, hetzij bucolingual (snavel en tong), lingualpalatina (tong en langzame beweging), gutural (keel), etc., doen we op wetenschappelijk terrein een grote pas voorwaarts.

[7] We weten al dat de muzikale geluiden die de vogel maakt gekarakteriseerd word door de toon, waarbij we de intensiteit en het timbre of de klankkleur onderscheiden. We moeten beseffen dat de lucht ook als een geluidsfilter werkt, die de klank beïnvloed voordat deze ons gehoor bereikt, evenals andere akoestische eigenschappen van de frequenties waarop het geluid zich beweegt (reflectie, refractie, revibratie, etcetera…. ).

[8] De eerste levensdagen is de omvang van SVC en RA klein, met geen significant verschil tussen mannen en poppen. Met het verstrijken van de dagen en op het moment dat het testosterongehalte in het bloed stijgt, neemt de omvang van deze zenuwcentra bij de mannen toe, en dat gaat gelijk op met de ontwikkeling van de zang (van gemurmel naar studiezang). Op het moment dat de jeugdrui begint, wordt de ontwikkeling van de zenuwcentra afgeremd, tegelijkertijd daalt ook het testosterongehalte in het bloed van de jonge vogel. Aan het eind van de rui, stijgt het testosterongehalte weer, tot het een stabiel niveau bereikt, en dat is ook het moment dat de zang stabiel wordt. Elk jaar, ook bij volswassen vogels, zet dit proces weer opnieuw in tijdens de ruiperiode: het testosterongehalte daalt, de omvang van de CVS en RA wordt kleiner, en de zang komt opnieuw in een plastische fase, de zgn. studiezang.  Totdat de rui voorbij is, en het testosteron gehalte opnieuw begint te stijgen, samen met de omvang van de zenuwcentra, zal de vogel geen stabiele zang brengen. Dit is de reden dat de mannen tijdens de ruiperiode kopieren en hun zang volledig kan veranderen. De invloed van testosteron is zo groot, dat het inspuiten van testosteron bij poppen een practisch mannelijke zang tot gevolg had.

[9] We stellen ons daarbij een kanarie voor die van een andere kanarie een eenvoudig lied gekopieerd heeft, zonder dat hij zelf de mogelijkheden bezit om zelf een rijk en gevarieerd lied te ontwikkelen.

[10] De wetenschappers hebben de relatie manifest gemaakt tussen de omvang van de vogel en het toonregister van het lied. Hoe groter de omvang van de vogel, des te omvangrijker zal het toonregister zijn.

[11] De kanarie die "liggend" op zijn stok zijn lied brengt, waarbij de positie van de vogel gecorrigeerd kan worden door de stokjes in de zangkooi omhoog te schuiven.

[12] Onder het fenotype verstaan we dus alle door ons waarneembare karakteristieken, dus ook de zang zoals wij die waarnemen.

[13] Het fenotype is beïnvloed door factoren in de omgeving in de breedste zin van het woord. Fenotype = genotype + omgevingsinvloeden. Een andere manier om dit weer te geven is met de driehoek van Walter, waarbij de basis bestaat uit onze erfelijke aanleg en de twee zijden gevormd worden door de voeding en de omgeving (in deze tekst is de omgeving inclusief de voeding).

[14] De keurlijst van een vogel, is van een relatieve waarde, want die geeft enkel de waardering van de zang aan zoals is gebracht gedurende vijftien of twintig minuten; de duur van de keuring. Een kanarie zingt geen twee keer exact gelijk en zijn kwaliteit, alhoewel het repertoire niet varieert, is niet constant. We moeten ons ervan bewust zijn dat de zangkwaliteit maar relatief korte tijd in de ontwikkeling van de kanarie (ontwikkeling, volwassen worden en zang vastleggen) goed te beoordelen is en dat veel exemplaren niet op hun top zijn als ze aan de wedstrijden meedoen (omdat ze of nog niet rijp zijn of al de kweekzang brengen). De duur van de periode dat de vogel volop op zang is, is een van de parameters die van belang is. Ondanks dit alles, is voor de beginnende kweker een keurlijst die is opgesteld door een erkende technisch onderlegde keurmeester, zeker een instrument om vast te stellen op welke toeren de vogel zijn lied baseert. Dit laatste is veel belangrijker nog dan het aantal behaalde punten.

[15] Kijk bijvoorbeeld eens naar de kweekregistratie kaart in de bijlage.

[16] We onderscheiden directe afstamming in rechte lijn (de relatie tussen individuen die van elkaar afstammen: overgrootouders, grootouders, ouders, kinderen..) en stamverwantschap (waarbij de individuen niet van elkaar afstammen, maar wel een gemeenschappelijke stam hebben ooms, tantes, neven, nichten). Om de graad van verwantschap te benoemen van een exemplaar met een ander, telt men, uitgaande van het exemplaar, het aantal generaties tot de afstamming in vertikale lijn, het nummer dat daar uitkomt is de verwantschapsgraad. Hier volgt een praktisch voorbeeld:

 

2

 

A 

 

X

 

B

 

 

C

 

X

 

D

 

 

 

E

 

 

X

 

 

F

 

 

 

 

Z

 

 

 

Als Z de vogel is waar we van uitgaan, dan hebben E en F, zijn ouders, een 1e graads verwantschap in rechte lijn, terwijl A, B, C en D 2e graads verwant zijn aan Z. 

Kijken we nu nog eens naar een andere genealogische stamboom:

 

 

2

 

A 

 

X

 

♀G

 

 

♂H

 

X

 

♀I

 

 

 

J

 

 

X

 

 

♀K

 

 

 

 

♂Y

 

 

 

Bestaat er verwantschap tussen Z en Y, en als er al verwantschap bestaat, in welke graad dan? Goed, als we naar de stamboom kijken, dan zien we dat beide vogels een gemeenschappelijke voorvader hebben, namelijk man A, van beide vogels de grootvader (we noemen deze vogels dan volle neven, omdat hun respectievelijke vaders halfbroers waren van vaderskant). Volgens de hiervoor omschreven regels zien we dan dat tussen A en Z een tweede graads verwantschap bestaat en tussen A en Y ook een tweede graads verwantschap, waardoor tussen Z en Y  een  stamverwantschap bestaat van de vierde graad.

A2

E1                           J3

Z                                             Y4

 

 [17] Zie ook de stamboom gegevens over vier generaties in de bijlage. Nadat we gebruik hebben gemaakt van de gegevens over vijf of zes generaties, zijn we tot de conclusie gekomen dat de gegevens van vier generaties van belang zijn; het is namelijk zo dat vanaf de vijfde generatie het statistisch percentage van de aanwezige genen van de voorouders, tot een minimum gereduceerd is:

[20] De afwezigheid van toeren in het continue ritme in het lied van onze kanaries is geen gril: we hebben al eerder gezien dat de continue ritmes en de discontinue ritmes elkaar afstoten. De ontwikkeling en perfectionering van de kwaliteit en kwantiteit van de toeren in het discontinue ritme, zal een progressieve uitsluiting van de continue toeren in het lied betekenen.

[21] We moeten daarbij niet te zwaar tillen aan de toeren in het continue ritme, die in het lied ontwikkeld worden aan het eind van de zangstudie of tijdens het rijpen van het lied (in de maand oktober of begin november), maar de vogels die vanaf het begin van de studietijd – d.w.z. vanaf de eerste twee maanden oud, geluiden in het continue ritme voortbrengt, laten een genetische aanleg zien voor continuïteit en moeten dus niet als kweekman geselecteerd worden.

[22] Zoals we hier laten zien, is de dominante rol van de vogel in de volière erg belangrijk, want als het een van de dominerende vogels betreft, dan werd zijn zangstudie door de andere minder dominante mannen als referentie gebruikt; dat betekent meer garantie dat zijn zang erfelijk is, omdat hij immers vanaf het begin de zang bepaalde en dat zijn broers in de vlucht, min of meer meegelift hebben op zijn ontwikkeling. Daarom is het belangrijk om te weten welke mannen de leiding hadden in elke vlucht, al is zijn zang uiteindelijk inferieur aan die van zijn broers, we weten dan dat deze vogel zijn zang op basis van zijn eigen genetische eigenschappen gevormd heeft, en dat hij dus mogelijk van de grootste genetische waarde is.  

[23] Het is algemeen bekend dat als een kweker niet over voldoende ruimte beschikt, hij de zang van de volwassen mannen niet apart kan verzorgen. In zulke gevallen moeten we hulp vragen aan familie of vrienden die dan onze volwassen vogels kunnen opvangen, al zouden ze zelf kanaries van het type "balkonzingertje" hebben, waarop de invloed van onze vogels merkbaar zal zijn na de rui. In totaal, wat de vogel genetisch bij zich draagt zal hij behouden en er is altijd bepaalde bruikbare informatie te halen uit de zang van de volwassen exemplaren, al zijn de vogels gedegenereerd en al lijken ze nog maar weinig op het oorspronkelijke materiaal dat we uit handen moesten geven.

[24] Als vogels uit een bepaalde specifieke zangrichting met een voorzanger getraind worden waarvan de zang niet met hen overeenkomt, dan zullen de vogels nooit tot een juiste imitatie in staat zijn. Hun zangorganen en het stamlied wat ze brengen is niet geselecteerd in de zelfde richting als de zang van de voorzanger.

[25] Een advies is om niet te beginnen met meer dan twee mannen en vier poppen!

[26] Als de zang gedetermineerd wordt door het geslacht (op basis van een stijgende hormoonspiegel), nemen we de hypothese als uitgangspunt, uiteraard te bediscussiëren, dat de genen die het basispatroon van het lied determineren, gekoppeld zijn aan het geslacht (aan het Z chromosoom). Dit betekent dat de pop aan haar zonen de informatie overbrengt die vastligt op het mannelijke chromosoom dat ze geërfd heeft van haar vader. Echter, de zang wordt bepaald door een veelheid van genen, waarvan een heel aantal niet eens direct met de zang in verband gebracht kunnen worden (bijvoorbeeld die genen die invloed uitoefenen op morfologische kenmerken die op de een of andere manier een relatie hebben met de zang).

[27] Een pop die jaarlijks jongen groot brengt, kan dat drie of in sommige gevallen vier jaar echter elkaar doen. De poppen die niet zelf de jongen groot brengen en die goed verzorgd worden, kunnen vijf tot zes jaar ingezet worden (ik heb zelfs jongen gezien van een pop in haar negende jaar).

Bijlage 1 Afstammingsgegevens

Bijlage 2 Kweekkaart

 

 
 

Hoofdstuk 3  Methoden om de koppels te vormen -

1. Inleiding.

Als de kweekvogels eenmaal geselecteerd zijn, en soms zelfs al eerder, breekt het moment aan om vast te stellen op welke wijze we de koppels moeten vormen. Daarbij houden we steeds ons doel voor ogen en stellen de koppels zo samen, dat we vogels kunnen verwachten die ons in vervoering brengen met hun schone zang en discontinue melodieën.

Zoals we eerder gesteld hebben bij de selectie van de kweekvogels, moeten we nu ook onderscheid maken tussen de beginnende kweker en de ervaren kweker.

De beginnende kweker zal ernaar moeten streven om de basiskennis en ervaring te verkrijgen, genoeg om een goede kweekplanning te maken van de koppels en om met succes te kweken. In de meeste gevallen is het hen aan te bevelen om voor het samenstellen van de koppels te vertrouwen op de aanwijzingen van de kweker die hem aan de vogels geholpen heeft.

In de eerste jaren werken we alleen met de afstammelingen van onze eerste koppels. Daarbij blijven we steeds alert op de doelen die we willen behalen. En al voegen we geen vogels van andere kwekers aan ons bestand toe, we kunnen niet zonder de raad van de ervaren kweker. Aan hem moeten we advies vragen bij het maken van de combinaties. Op deze wijze verkrijgen we de minimale bagage die nodig is om met succes te kunnen kweken.

En als de jaren dan voorbij gaan, hoeveel jaren daarvoor nodig zijn is afhankelijk van de tijd en aandacht die we aan onze hobby besteden en van onze interesse en mogelijkheden, leren we de basisregels te beheersen. We winnen aan onafhankelijkheid totdat we zelfstandig in staat zijn om een eigen kweekstrategie op te zetten. Al blijft het altijd zinvol om ideeën te bespreken met andere kwekers die zich al gekwalificeerd hebben, immers het gezegde is: twee weten meer dan één.

In de voorliggende tekst benaderen we het thema van het samenstellen van de koppels vanuit het traditionele gezichtspunt voor de kweek met kanaries, selectie en verbetering van de genetica van de vogel. De kweker van zangkanaries weet echter dat juist bij de zang dergelijke theorieën met grote voorzichtigheid toegepast moeten worden, ze gaan meer op voor de kleur- en postuur kanaries. Daar is op dit terrein een grote voortgang geboekt, door de toepassing van theorie; vergeleken met kleur en postuur staat de toepassing van deze kennis bij de zang nog in de kinderschoenen. En als we er goed over nadenken, kan dat ook niet anders. In alle gevallen zijn de omgevingsfactoren van belang, maar wel in het bijzonder bij de zangkanarie. Het is onmogelijk om al deze verschillende omgevingsfactoren onder controle te houden; we moeten ons erbij neerleggen dat we slechts een aantal omgevingsfactoren kunnen beheersen.

Vaak echter zijn de omgevingsfactoren zodanig verstorend, dat het uiteindelijke resultaat dat we behalen en beluisteren in de zang van onze vogels niet de werkelijke weergave is van de genetische kwaliteiten waarover onze vogels beschikken.

In de zogenoemde "driehoek van het leven" opgesteld door Walter, en geciteerd door Giorgio de Baseggio wordt nog een stap verder gezet dan de traditionele opvatting: fenotype = genotype + omgevingsfactoren.

Voeding

Omgeving

 Genetische aanleg

Opvallend is dat Walter de voeding een cruciale invloed toekent, door de voeding een eigen plek toe te kennen in de driehoek. Het was tot dan toe gebruikelijk om voeding te scharen onder de omgevingsfactoren.

Ervaringen hebben duidelijk uitgewezen dat Walter gelijk heeft en dat de voeding deze eigen plek zeker verdient door zijn belangrijke invloed, zeker net zo groot als het geheel aan andere omgevingsfactoren en het genotype. Walter verdedigt de stelling dat om onze doelen te behalen met selectie, we eerst een goed evenwicht moeten verkrijgen tussen de drie zijden van de driehoek van het leven.

Als kwekers van zangkanaries weten we heel goed dat door het toepassen van het juiste systeem om koppels te vormen, we de gewenste genetische eigenschappen bij onze vogels kunnen vastleggen. Maar als we daarbij niet de omgevingsfactoren en de voeding onder controle houden zullen we uiteindelijk niets bereiken.

 In dit artikel laten we zien hoe het mogelijk is om te spelen met het vormen van koppels, met als doel om in onze vogels de gewenste genetische eigenschappen vast te leggen, zonder daarbij de overige invloedsfactoren uit het oog te verliezen.

 

 

2.- Methoden voor reproductie

Een manier om de wijze waarop koppels gevormd kunnen worden weer te geven, is door onderscheid te maken in verwante koppels en open koppels.

 

 

Verwante koppels (close breeding)

 

 
Nauwe bloedverwantschap (inbreeding)

Brede bloedverwantschap (linebreeding)

 



Open koppels (out breeding)

Twee verschillende bloedlijnen

Terugkruisen

Kruisen om eigenschap te versterken

Eigenschap eruit kruisen (absorberen)

Koppel met overeenkomstig fenotype

Koppel met aanvullend fenotype

2.1 Verwante koppels

Zoals de naam al aangeeft berust deze methode op het samenstellen van koppels die één of meer voorouders gemeenschappelijk hebben, en die daarom, meer of minder genetische eigenschappen delen, afkomstig van deze gedeelde familie afstamming. Om koppels te vormen in bloedverwantschap werd in Spanje traditioneel veel gebruik gemaakt van de zogenaamde “Tafels van Felch”. Genoemde tafel laat de verschillende mogelijke koppels zien die we kunnen vormen, met een onverwant beginkoppel als basis en de theoretische resultaten die we kunnen behalen, vanuit genetisch oogpunt, door de koppels te vormen zoals is aangegeven. Dit systeem is gebaseerd op de genetische wetten van Mendel en eerdere bewegingen in de wetenschap van de genetica. Later zijn ook fenomenen duidelijk geworden die afwijken van de wetten van Mendel en die de percentages in de Tafel van Felch versterken, zoals bijvoorbeeld o.m. crossing-over en linkage. Hoe het ook zij, vandaag de dag zijn er nog veel kwekers die de Tafel van Felch gebruiken als referentiekader, ter oriëntatie, op het moment dat de koppels samengesteld moeten worden. In sommige teksten wordt de Tafel weergegeven als een schema hoe de koppels samen te stellen uitgaande van een man met twee poppen, inclusief de mogelijkheid om “vers” bloed in te brengen (twee verschillende bloedlijnen). Hieronder staan twee van de meest voorkomende weergaven van de Tafels van Felch, de schema’s hoeven niet toegelicht te worden, gezien de eenvoud en duidelijkheid.

                               Schema koppelen van broedparen volgens de tafel van Felch

2.1.1 Koppelvorming in nauwe bloedverwantschap (In-breeding).

Bestaat uit het koppelen van vogels die familie van elkaar zijn in de eerste of in de tweede graad. Daarbij is het belangrijk om onderscheid te maken in koppelen in verticale lijn (vogels die rechtstreeks van elkaar afstammen: overgrootouders, grootouders, ouders, zonen/dochters….) en koppelen in horizontale lijn (waarbij geen rechtstreekse afstamming bestaat, maar wel een gemeenschappelijke voorouder: broer/zus, halfbroer/halfzus, ooms, tantes, neven, nichten…) De graad van verwantschap tussen twee vogels stelt men als volgt vast. Men telt bij verticale afstamming uitgaande van de eerste vogel, het aantal generaties dat er tussen beide vogels bestaat. Bij een horizontale lijn telt men het aantal generaties vanaf het eerste exemplaar (waarbij net als bij verticale lijn de eerste vogel niet meegeteld wordt) tot de gemeenschappelijke voorouder en vervolgens telt men verder tot men bij de tweede vogel komt. Het nummer is dan de graad van verwantschap. Praktisch voorbeeld: Als vogel Z het studieobject is, zijn E en F zijn ouders, waarmee Z een verticale verwantschap heeft in de 1º graad, terwijl A, B, C y D, de grootvaders een 2º graad verwantschap hebben.

A    X    B           C     X      D

1º                 E     X     F

                                     ♂Z

Zien we hier nog een andere genealogische weergave:

 

A    X    G           H     X      I

1º                 J     X     ♀K

                                     ♂Y

Bestaat er nu verwantschap tussen Z en Y, en als die bestaat, in welke graad dan? Als we de afstamming beschouwen, zien we een gemeenschappelijke voorouder, A, grootvader van beide vogels (het zijn dus volle neven, omdat hun vaders halfbroers zijn langs vaderskant). Als we de regels van verwantschap toepassen, dan zien we dat tussen Z en A twee graden zitten, en tussen A en Y ook twee. Tussen Z en Y bestaat dus een verwantschap in de vierde graad.

2

Zoals hiervoor is omschreven, is er in het geval van kweek in nauwe bloedverwantschap sprake van koppeling van vader-dochter of moeder-zoon (in de eerste graad) van kleinkinderen met grootouders (in de tweede graad) of van halfbroer – halfzus (tweede graad).

Het moge duidelijk zijn dat we het hier hebben over de vorming van koppels in bloedverwantschap die het meest ver is doorgevoerd, of, op een andere manier gezegd, zullen de jongen het grootste aantal genen delen en daarom, de meeste kans geven op een homogene aanwezigheid van de gewenste karakteristieken.

Toepassing van deze vorm van koppelen in nauwe bloedverwantschap is gebruikelijk om bepaalde eigenschappen van vogels vast te leggen, door deze vogels te koppelen aan hun verticale afstammelingen: zonen/dochters en kleinzonen/kleindochters.

Daarbij raad ik de beginnende kwekers deze vorm van koppelen in nauwe bloedverwantschap af in meer dan twee generaties. Het voorbijgaan van deze grens van twee generaties, moet alleen uitgevoerd worden door ervaren kwekers. Het vormen van koppels in nauwe bloedverwantschap is de snelste weg om gewenste eigenschappen vast te leggen, maar ook worden de ongewenste eigenschappen vastgelegd en eveneens de recessieve eigenschappen zoals letaalfactoren en subletaalfactoren. Stel dat de vogels die we voor de kweek geselecteerd hebben dragers zijn van negatieve genetische karakteristieken, dan kan de nauwe bloedverwantschap deze fouten al versterken in de eerste generatie, waardoor we misschien al direct gedwongen zijn de ingeslagen weg te verlaten. We zien verderop een manier om dit te voorkomen.

2.1.2 Koppelvorming in brede bloedverwantschap (Line breeding).

Een manier om de voordelen van het kweken in bloedverwantschap te benutten en de nadelen die vroeg of laat opduiken te beperken, is het vormen van koppels in brede of in half open bloedlijnen, of in goed Nederlands lijnenkweek (in het engels linebreeding).

Half open bloedverwantschap is het koppelen tussen de 3 º en de 4º graads verwantschap. Brede bloedlijnen, dat wil zeggen in verwantschap tussen de 5º en de 10º . Vanaf de 11º graad wordt ervan uitgegaan dat de verwantschap zo ver weg is dat er geen sprake meer is van bloedverwantschap.

Het is logisch, dat hoe verder weg de graad van verwantschap ligt, hoe minder kans bestaat dat gezamenlijke genen voorkomen in de vogel, maar ook hoe minder kans dat de gewenste genetische combinatie voorkomt en de kans is dan ook kleiner dat het beoogde doel bereikt wordt. De experts onder ons zullen zeggen dat het kweken in een brede bloedverwantschap weinig effectief is in de kweek waarbij op hoog niveau streng geselecteerd wordt.

In de praktijk wordt het kweken in nauwe bloedverwantschap gebruikt om de gewenste eigenschappen vast te leggen, terwijl de kweek in brede bloedlijnen gebruikt wordt om de gewenste eigenschappen in het bestand te behouden, min of meer in pure vorm, zolang mogelijk zonder bloed van buiten te introduceren.

Samengevat bestaat het kweken in half open en brede bloedverwantschap uit verticale koppelvorming (overgrootouders met achterkleinkinderen, overovergrootouders met achterachter-kleinkinderen…..) te gebruiken om een bloedlijn uit nauwe bloedverwantschap te vernieuwen, om teveel opeenstapeling van dezelfde genen te voorkomen, of om zekere karakteristieken te versterken. Het belang van deze vorm van koppelvorming ligt in het verbreden van de genetische variatie en de heterogeniteit.

 

Schema waarin de vormen van koppelvorming bij nauwe bloedverwantschap, bij brede bloedverwantschap en bij het inbrengen van " nieuw bloed". Ontleend aan G. De Bassegio (werk dat reeds in de bronvermeldingen genoemd is).

2.2. OPEN KOPPELS

Nu volgen voorbeelden van koppelvorming, die hier alleen genoemd worden voor de volledigheid, maar voor de meeste van ons zijn ze niet nodig of van veel mindere relevantie om toe te passen. Soms, in enkele gevallen, is de mogelijkheid om deze wijze van koppelvorming te gebruiken voorbehouden aan kwekers met heel veel ervaring om bepaalde hele concrete doelen te verwezenlijken.

2.2.1. Kruisingen

Het gebruik van de term "kruisingen" roept zonder twijfel weerstanden op. Voor velen van ons is het zuiver houden van het ras een bijna heilige aangelegenheid, het pure ras en raszuiverheid zijn termen die veelvuldig voorkomen bij de kweek met vogelsoorten, maar de techniek van kruisen kent echter praktische toepassingen.

Dalton, bijvoorbeeld stelde vast dat "Als de eigenschappen eenmaal vastgelegd zijn en de genetische eigenschappen homogeen zijn, als het fenotype gelijk is en in sommige gevallen ook de wijze waarop de soort zich heeft aangepast aan specifieke omstandigheden, dan is er bij zo’n groep dieren sprake van een bepaald ras. Dit ras heeft dan een gezamenlijke genetische stam, waarbij de introductie van nieuwe genetische eigenschappen alleen kan gebeuren door kruisingen met andere soorten of rassen van dezelfde soort." De handleidingen om soorten te verbeteren of te veredelen maken ook gebruik van kruisingen.

In deze handleidingen maakt men onderscheid tussen bastaarden en kruisingen. De bastaard is de vrucht van een vergissing, een koppel dat gevormd is zonder concreet doel of opgezet programma. De kruising daarentegen is de vrucht van een opgezet kweek-programma waarmee bepaalde doelen beoogd worden. De experts gebruiken kruisingen zowel met het doel om nieuwe rassen te verkrijgen, als ook om bepaalde karakteristieken in te brengen waarmee een al bestaand ras verbeterd wordt (en dan worden kruisingen ook nog gebruikt om vogels te verkrijgen die een grotere commerciële waarde hebben, dan het ras in zijn pure vorm).

Maar let op, het kruisen van soorten of rassen is echt een riskant werk, want als dit kruisen niet met een enorme selectie gepaard gaat en onder uiterste controle in een geïsoleerde groep uitgevoerd wordt, dan wordt het tegenovergestelde effect bereikt van hetgeen gewenst is: bastaarden ontstaan en maken het ras onzuiver. Wij raden deze vorm van kruisingen dan ook ten sterkste af, al gaan we hieronder nog verschillende kruisingsvormen beschouwen. Het doel hiervan is om kennis te nemen van de vererving.

We kunnen de volgende vormen van kruisingen onderscheiden:

a) Tussen verschillende soorten.

b) Tussen verschillende rassen.

c) Tussen stammen, lijnen en verschillende families.

Ad a) Tussen verschillende soorten:

Deze vorm van kruisen past men toe om karakteristieken van de ene soort in te brengen bij de andere soort, in ons geval de kanarie (normaal gesproken handelt het om het inbrengen van genetische karakteristieken die de kwaliteit bevorderen, dus, afkomstig van een paar of enkele genen). Het is in de eerste plaats zaak om een vruchtbare hybride te verkrijgen, de F1, waarmee vervolgens terugkruisingen opgezet moeten worden. Er moet dan streng geselecteerd worden op de gewenste karakteristiek en gedurende ten minste drie generaties terugkruisingen uitgevoerd worden op kanaries, familie van de voorvader, tot aan de vierde generatie (de R3 oftewel de F4 worden dan weer als pure kanarie beschouwd). Hieronder is het grafisch weergegeven:

Kapoetsensijs           X    Kanarie
F1 (50 % Kanarie)     X     Kanarie
R1 (75 % kanarie)     X     Kanarie
R2 (87,5 % Kanarie)  X   Kanarie
R3 = (93,75% Kanarie)

De R3 wordt al als een zuivere kanarie beschouwd.

Bovenstaande kruising heeft bij de kweek van kleurkanaries een essentiële rol gespeeld, om kanaries met de roodfactor te kweken en ook bij de kweek van mozaïeken (kruisingen tussen de Kapoetsensijs - carduelis cucullata- en de kanarie); met de inzet van een kruising met een ander soort vogel uit Zuid Amerika (bijvoorbeeld een zwarte vogel uit Bolivia -carduelis atrata-) probeert men de kleurkanarie Jaspis te verkrijgen en tevens door kruisingen met de carduelis magellanicus. Zo heeft men ook kruisingen uitgevoerd met de Europese kanarie (serinus serinus) om de tekening die gevormd wordt door melanine te versterken. Ook in de postuur kweek is gebruik gemaakt van kruisingen. Al is dit niet bewezen, denken sommigen dat de Lizard in het verleden ontstaan is uit een kruising met een ander soort. In de miniatuur rassen, bijvoorbeeld bij de kleine Raza Española, heeft men gebruik gemaakt van de Europese kanarie (serinus serinus) om de grootte van de vogel te verkleinen; het misbruik en de neveneffecten van deze kruisingen, hebben geleid tot problemen tussen de kwekers en de keurmeesters van het ras Raza Española, met argwaan worden de groene exemplaren in de wedstrijden bekeken, omdat de experts stellen dat ongewenste neven effecten van dit soort kruisingen meer voorkomen dan de voordelen. Tot slot, bij de zang, stelde Drove de hypothese dat de oorsprong van de tegenwoordige Harzer, gelegen is in de hybride met de Europese kanarie, de groenling en de Citroensijs. Drove stelde deze hypothese gestaafd te hebben, doordat hij met kruisingen van deze soorten het beoogde resultaat opnieuw kon verkrijgen. In het geval van de Timbrado Español is bekend dat enkele kwekers kruisingen geprobeerd hebben met de citroensijs, met de Europese kanarie, en met de Edelzanger (serinus leugopygius) en andere afrikaanse serinus typen, zoals de Kaapse Kanarie (serinus canicollis) of de Geelbuikkanarie (serinus flaviventris), naar men zegt is hier overigens geen enkel bevredigend resultaat mee behaald.

Op een dag kwam bij mij ook het idee op om een experiment uit te voeren met de kruising met één van de Afrikaanse zangvogels. Maar na een goede analyse van het lied van deze verre neef van onze kanarie en een vergelijk van dat lied met het lied van onze discontinue vogels, moest ik concluderen dat vandaag de dag, met de genetische ontwikkeling die we doorgemaakt hebben en met de perfecte zang van onze discontinue kanaries, een dergelijke kruising van geen enkele toegevoegde waarde zou zijn. Alle waardevolle zang elementen zijn te vinden in het lied van onze eigen discontinue kanaries.

Het zou een andere zaak zijn om dit type kruisingen uit te voeren tussen soorten, om de erfelijkheidsmechanismen bij de zang vast te stellen, maar dat zou dan een puur wetenschappelijk experiment moeten zijn, een experiment zonder verdere bedoelingen en zeker niet met als doel de introductie van vreemde karakteristieken in onze kanaries. Mijn overtuiging is dat dit niets zou toevoegen, integendeel, een bastaard zou ontstaan met gevaarlijke en niet te voorziene gevolgen.
 

Ad b) Tussen verschillende rassen

Dit soort kruisingen realiseert men in de kanariekweek voornamelijk om bepaalde karakteristieken van een ras op een ander ras over te brengen of om een nieuw ras te ontwikkelen. In gespecialiseerde tijdschriften kunnen we regelmatig voorbeelden van dit soort kruisingen tegenkomen, vooral bij de Postuur kanarie; Het is werkelijk leerzaam om te lezen, hoe door een vast kweekplan te volgen van complexe kruisingen tussen twee of drie rassen, en daarbij een strenge selectie toe te passen, vele postuurkanarierassen zijn ontstaan, die we nu op onze wedstrijden zien. De postuurkanarierassen ontwikkelden zich zelfs zo snel, dat de COM zich gedwongen zag om de procedure van de erkenning van nieuwe rassen te verzwaren, omdat veel van de nieuwe rassen nog kenmerken van andere rassen in zich droegen. Op de wedstrijden zouden zelfs gespecialiseerde keurmeesters met zulke vogels anders de fout in gaan (het is bekend dat bij enkele rassen, afhankelijk van het verkregen fenotype, de kweker besluit in te zenden in de ene of in de ander categorie).


Bij de zang is veel gespeculeerd over de wijze waarop kruisingen hebben plaatsgevonden tussen de verschillende rassen, zonder dat daar echter iets van zeker vast te stellen is.

Net zoals ik gesteld heb met betrekking tot het kruisen tussen soorten, zou het correct zijn om dit soort experimenten uit te voeren, maar enkel en alleen om te bestuderen op welke wijze vererving in de zang plaatsvindt; studie is het enige en exclusieve doel. Andere redenen zijn uitgesloten. De ervaring heeft allang geleerd dat kruisingen tussen zangvariëteiten voor de wedstrijden altijd slecht uitpakken.

Het is zeker dat enkele begaafde kwekers in staat zijn gebleken om bepaalde karakteristieken te introduceren in de zang, door het volgen van het schema van kruisingen waar absorptie plaatsvindt met daarbij het toepassen van een strenge selectie; maar het aantal exemplaren dat onnadenkend verkocht is of weggegeven en vervolgens in de kweek terecht is gekomen, viel in handen van minder begaafde kwekers. Vervolgens veroorzaakte de kweek met vogels die niet raszuiver waren een toename van karakteristieken die aan andere rassen toebehoren. De laatste jaren is het aantal vogels in bepaalde streken gevaarlijk toegenomen, dat gediskwalificeerd moet worden op basis van karakteristieken uit het Waterslager lied, zowel bij kwekers van klassieke Timbrado’s, als bij de kwekers van de intermediaire en discontinue vogel.

Ad c) Tussen familiegroepen, lijnen, stammen.

Op basis van genetische afstamming is onderscheid te maken in :

bullet

Variëteiten: Een groep die zich kenmerkt door een verschil van morfologische kenmerken, maar die echter niet  afwijken van de basiskenmerken van een bepaald ras.

bullet

Familiegroepen: een gesloten populatie van dieren van een bepaald ras of variëteit, gevormd door een kweker op basis van reproductie binnen de groep, zonder de introductie van materiaal van buiten.

bullet

Lijnen: Een lijn binnen een familiegroep bestaat uit een aantal kweekdieren die om een bepaalde reden geselecteerd zijn om mee door te kweken onafhankelijk van de rest van de familiegroep.

bullet

Families: Verschillende verwante takken binnen een lijn.
 

We moeten erkennen dat bij de kweek met de discontinue kanarie en met de zangkanarie in het algemeen, deze technische termen niet zo gebruikelijk zijn. Vaak worden de termen als variëteit, familiegroep en lijn door elkaar gebruikt en met elkaar verward. Het klinkt ons dan ook vreemd in de oren om simpelweg te stellen dat binnen de discontinue zang de verschillende tendensen representanten van verschillende variëteiten zijn. Binnen deze variëteiten ontstaat een familiegroep, als een kweker in een brede bloedlijn werkt en zonder exemplaren van buiten te introduceren, tot op het moment dat alle exemplaren min of meer dezelfde karakteristieken vererven. Het gaat bij een lijn dan dus om een specifieke groep vogels van een bepaalde kweker, met zijn specifieke karakteristieken en verschillen, en daarbinnen zijn nog de verschillende takken in de lijn te benoemen waarmee in een geïsoleerde kweekgroep gewerkt wordt. De verschillende takken in een gesloten lijn zijn representatief voor een familie. In het besef dat het enigszins geforceerd klinkt, zijn deze concepten moeilijk toepasbaar in onze kweek. Het is moeilijk om de bestaande kweektechnieken die gebruikt worden bij het verbeteren van rassen toe te passen op onze eigen vogels, omdat deze uitgaan van grote groepen dieren en niet van de aantallen die wij in onze kweekruimtes houden.

Het soort kruisingen waar we het hier over hebben, wordt gerealiseerd tussen verschillende variëteiten van een zelfde soort, tussen verschillende familiegroepen, tussen verschillende lijnen of tussen verschillende families, en dan zonder dat er een verwantschap bestaat die kleiner is dan in 11º graad. Immers, anders zouden we spreken over een brede bloedverwantschap en niet over een open kruising. Logischerwijs zijn deze concepten ontwikkeld bij het fokken van vee en ze zijn dan ook soms moeilijk toepasbaar in onze kweek. In onze broedruimtes, komt de gemiddelde bloedverwantschap meestal niet verder weg dan de 5º of 6º graad van verwantschap.

2.2.2. Twee verschillende bloedlijnen

Dit is de kruising die wel bekend is als "bloed verversen" of om "nieuw bloed (genen) in te brengen".


2.2.3 Terugkruisen

Dit is de kruising van een F1 met één van zijn voorouders die raszuiver was.

2.2.4 Versterkende of absorberende kruising

In navolging van Dalton delen we deze kruising in een groep in, op basis van gelijkenis. "De kruising om een eigenschap te versterken, gebruiken we als een kweker terugkruist met de oorspronkelijke drager van een genetische eigenschap, op zoek naar nieuw genetisch materiaal". Dit soort kruisingen is gerealiseerd door kwekers die wilde kanaries in hun kweek hebben ingezet, met de intentie om in het lied van hun kanaries andere nuances aan te brengen en dus niet om "bloed te verversen".

De absorberende kruising ziet er als volgt uit. Stel voor dat een kweker een vogel wil kweken van een ras dat erg moeilijk te verkrijgen is, of erg duur, en hij wil vanuit een enkel exemplaar toch deze vogels kweken. Hij zou dan de raszuivere man, die we vogel A noemen, koppelen aan de pop van het andere ras, vogel B, en dan volgens het onderstaande schema werken, met rigoureuze selectie op het fenotype, altijd selecterende op de kenmerken van vogel A.

 

1) Exemplaar ras A X Exemplaar vogel B

2) F1 (50 % ras A) X Exemplaar ras A

3) R1 (75 % ras A) X Exemplaar ras A

4) R2 (87,5 % ras A) X Exemplaar ras A

 

bulletR3 (93,75 % ras A) wordt beschouwd als een raszuiver exemplaar

De kruisingen om een bepaalde eigenschap te versterken, zijn uit te voeren met hetzelfde schema. Het probleem begint, als men in de tweede generatie al goede resultaten verkrijgt. De kwekers lijken dan te vergeten dat de R1 nog steeds een halfproduct is en nog geen eindproduct. En dat, ook al is het nog zo’n goede vogel, er doorgegaan moet worden met het koppelen op de pure voorouder om de kruising goed uit te werken en het gewenste resultaat vast te leggen. Dit moet tenminste tot de R3 generatie gebeuren. Als dat niet gebeurt, dan ontstaat een populatie bastaarden, waarbij noch de eigenschappen van het ene ras, noch de eigenschappen van het andere ras zuiver zijn.

Dit is precies wat er gebeurd is bij sommige kwekers die een wilde kanarie ingezet hebben in de kweek. De goede resultaten die al verkregen werden in de R1 generaties (foutief benoemd als F2), werden gebruik voor kruisingen van R1 en R2 vogels. Een hele nauwe kruising, waardoor de genen van de wilde vogel versterkt werden. Populaties bastaarden ontstonden, waarbij de vooruitgang na generaties van selectie met de gedomesticeerde kanarie met enkele kruisingen teniet werd gedaan.

Om dit te voorkomen, moeten we de kruisingsschema’s die we hiervoor gezien hebben precies volgen.

In de kruising om eigenschappen te versterken met de wilde kanarie, is het mogelijk om twee doelen na te streven:

bullet

nuances in het lied brengen

bullet

nieuwe genen inbrengen in ver doorgefokte populaties

Als we het over deze kruisingen hebben, onafhankelijk van wat we nastreven, is er, om met Rafael Martinez Bouzo te spreken, een snelle weg en een langzame weg. Deze twee wegen zijn gebaseerd op de theorie "een goede man geeft een goede pop en een goede pop geeft een goede man"; een weg die stap voor stap bewandeld wordt door Santiago Iso Gracia. Zoals ik uitgelegd heb in "Beschouwingen rond de erfelijkheid van de zangkanarie", gaat mijn hypothese nog verder en ga ik ervan uit dat de genen die het zangtalent bepalen, gekoppeld zijn aan de genen die het geslacht van de vogel bepaald (dat wil dus zeggen, gekoppeld aan het mannelijk geslachtschromosoom Z).

Bovendien werk ik ook met de hypothese dat als we een koppeling uitvoeren, er drie bepalende factoren zijn die genetisch zijn vastgelegd, die de zang beïnvloeden en die onafhankelijk overgedragen worden. Het gaat daarbij om:

bullet

Het zangapparaat van de vogel, het instrument, dat de stem vormt: beïnvloed door veel verschillende genen, en autosoom (niet gekoppeld aan geslacht) verervend.

bullet

De zangaanleg van de vogel, bepalend voor de mogelijkheid om bepaalde toeren te brengen: een kwalitatief gen gekoppeld aan het geslacht van de vogel.

bullet

Intelligentie, talent of mogelijkheid van de kanarie om een lied te vormen: ik denk dat de genen die hiervoor bepalend zijn meerdere genen betreffen en niet gelieerd zijn aan het geslacht, al heb ik nog mijn twijfels.

We concentreren ons nu op de genetisch bepaalde zangaanleg van de vogel, omdat ervaring me geleerd heeft dat deze het makkelijkst te beïnvloeden is, reden waarom ik veronderstel dat het een kwalitatieve eigenschap is, direct gekoppeld aan het geslachtsgen.

De snelle weg:

we onderscheiden de theoretische percentages en gebruiken de genetisch bepaalde vererving van de zangaanleg.

  Wilde kanarie man            X    Gedomesticeerde kanarie pop

  F1 (50 % gedomesticeerd) X    Gedomesticeerde kanarie pop

  R1 (75 % gedomesticeerd) X    Gedomesticeerde kanarie pop

  R2 (87,5 % gedomesticeerd) X Gedomesticeerde kanarie pop

  R3 (93,75 % gedomesticeerd) wordt als puur gedomesticeerde kanarie beschouwd.

Overdracht van de zang, uitgaande van de koppeling aan het Z chromosoom:

1e Generatie: in vetzwart de chromosomen van de wilde kanarieman (ZZ) – (in de verticale kolom links), in rood van de gedomesticeerde pop (ZW) – (in de horizontale rij boven), met het W chromosoom dat geslachtsbepalend is voor de pop en dat, vergelijkbaar als bij de kleurkanarie, geen genetische informatie draagt over de zang:

Chromosoom

Z

W

Z

ZZ

ZW

Z

ZZ

ZW


We zien hier dat alle mannen in het nageslacht heterozygoot zijn voor zang: hun genetische aanleg is voor de helft afkomstig van de wilde kanarie, terwijl de poppen, die immers het Z chromosoom van de wilde kanarie overgenomen hebben, zo alleen de genetische informatie van de voorvader, de wilde kanarie, dragen.

Het feit dat alle mannen heterozygoot zijn voor zang, is de verklaring voor het feit dat de F1 generatie vrijwel altijd tekortkomingen toont.

2e Generatie: we gaan ervan uit dat er geen interventie heeft plaatsgevonden die een verandering in het gen of chromosoom teweeg gebracht heeft en zo de informatie gekoppeld aan Z verandert: dit kan optreden in de fase van de Meiose (de splitsing van chromosomen).

Chromosoom

Z

W

Z

ZZ

ZW

Z

ZZ

ZW

In de tweede generatie, zie we dat het terugzetten van de F1 man wilde kanarie op de gedomesticeerde kanariepop (familie of niet), de theoretische percentages van de R1 compliceert.

We kunnen beredeneren welke combinaties er dan ontstaan:

Mannen: Z Z Alhoewel met een theoretisch percentage van 75 % genen van een gedomesticeerde kanarie en 25 % genen van een wilde kanarie, in de zangaanleg is het nog steeds een heterozygote kanarie die onder ideale condities een zang brengt die overeenkomt met de zang van de F1 generatie, die ons de indruk kan geven dat de vogel een zang brengt die min of meer gedomesticeerd is, mede onder invloed van de functie van andere bepalende factoren (de morfologische capaciteit – het zangapparaat – en de mogelijkheden of de zangintelligentie).

Mannen: Z Z Alhoewel er nog steeds sprake is van een theoretisch percentage van 75 % genen van de gedomesticeerde kanarie en 25 % genen van een wilde kanarie, in de zang is een homozygoot exemplaar ontstaan, die onder de ideale condities de zang brengt van een gedomesticeerde kanarie, met minder of meer wildzang nuances in de zang, mede onder invloed van de functie van andere bepalende factoren (de morfologische capaciteit – het zangapparaat- en de mogelijkheden of de zangintelligentie).

Poppen: Z W – hoewel deze pop theoretisch 75 % van de genen van gedomesticeerde kanarie draagt en 25 % van de wilde kanarie, in de zang vererft ze de zangaanleg van de wilde kanarie.

Poppen Z W – hoewel ook deze pop theoretisch 75 % van de genen van de gedomesticeerde kanarie draagt en 25 % van de wilde kanarie, in de zang vererft ze de zangaanleg van de gedomesticeerde kanarie.

De complicatie die dus optreedt bij de mannen van de R1 generatie, is dat we binnen een familie exemplaren aantreffen met een verschillende zangaanleg, gebaseerd op de verschillende genencombinaties. Het genotype van de vogels kunnen we niet met zekerheid vaststellen omdat ze fenotypisch, normaal gesproken, in staat zijn om de zang van de dominante vogels over te nemen of een intermediaire zang te brengen, de vrucht van de interactie met familieleden met een andere genetische aanleg. We kunnen dus vogels hebben met gedomesticeerde zang die genetisch heterozygoot zijn, of vogels die zang brengen met nuances van wildzang, maar wel genetisch homozygoot voor gedomesticeerde zang. Bij de poppen hebben we 50 % kans, of wildzang of gedomesticeerde zang.

Dit maakt duidelijk waarom er in de R1 generatie kampioenen geboren worden, maar ook vogels die net zoveel wildzang brengen als in de F1 generatie. De enige manier om vast te stellen of een man homozygoot of heterozygoot vererft is door hem te kruisen met zijn eigen dochters. Als alle exemplaren dan een gedomesticeerde zang brengen, kunnen we vaststellen dat de R1 een homozygote vererving heeft, en als er exemplaren met wildzang geboren worden, kunnen we vaststellen dat de vader R1 een heterozygote vogel is. Dit is geen theorie, dit is een conclusie na het experimenteren met R1 en R2 vogels.

Het geen in de voorgaande paragrafen gesteld is, gaat tevens op voor de R3 en voor de R4 generatie, waar we weliswaar genetisch steeds verder van de wilde kanarie afkomen, maar waar we nog steeds exemplaren kunnen aantreffen met wildzang, vanwege de vererving van het Z chromosoom dat afkomstig is van de oorspronkelijke wilde kanarie.

Zelfs als we rekenen op vogels die genetisch bepaald een gedomesticeerd zangpatroon zullen brengen, kunnen we dus geconfronteerd worden met terugslagen of het plotseling weer opkomen van zangtoeren van de wilde kanarie, wat erop wijst dat de morfologische en fysieke mogelijkheden van de vogel, het fenotype, nog beïnvloed wordt door de wilde kanarie. Daardoor is het zo complex en zo moeilijk om te werken met afstammelingen van een kruising met een wilde kanarie, de reden waarom dit alleen gedaan kan worden door kwekers met heel veel ervaring.

De langzame weg:

Gedomesticeerde kanarie man        X             Wilde kanarie pop

Gedomesticeerde kanarie man        X              pop F1 (50 % gedomesticeerd)

R1 ( 75 % gedomesticeerd)

Vanaf de R1 generatie, kan men zowel de mannen als de poppen gebruiken, die gedurende twee generaties gekruist moeten worden met gedomesticeerde exemplaren (tot aan de R3 generatie).

De overdracht van de genetische zang aanleg volgt dan via het Z chromosoom de volgende weg:

1e generatie: in vet zwart weer de chromosomen van de wilde kanarie, in rood van de gedomesticeerde kanarie, en het W chromosoom die geslachtsbepalend is bij de pop en die, net als bij het kweken met kleurkanaries, geen informatiedrager is:

Chromosoom Z W
Z ZZ ZW
Z ZZ ZW

We zien dat alle mannen heterozygoot zijn, de genetische aanleg is voor de helft gedomesticeerd, voor de helft wilde kanarie; terwijl de poppen, die immers het Z chromosoom van de gedomesticeerde vader geërfd hebben, pure dragers zijn van de genetische aanleg van hun vader.

Het feit dat alle mannen heterozygoot zijn in de zangaanleg, verklaart de tekortkomingen die optreden in de F1 generatie.

2e Generatie: We gaan ervan uit dat er geen recombinant gen of chromosoom ontstaan is, die een verandering van de informatie op het Z chromosoom teweeg kan brengen, door een verwisseling van informatie die kan optreden in de Meiose fase. De pop uit de eerste generatie wordt gekoppeld aan een gedomesticeerde man.

Chromosoom Z W
Z ZZ ZW
Z ZZ ZW

Met toepassing van dit systeem zien we dat alle R1 exemplaren dragers zijn van het Z chromosoom gedomesticeerde zang, hoewel we nog steeds, zoals eerder toegelicht, geconfronteerd kunnen worden met terugslagen of het plotseling weer opkomen van zangtoeren van de wilde kanarie, te wijten aan de morfologische en fysieke mogelijkheden van de vogel, het fenotype, dat nog de invloed ondergaat van de wilde kanarie, in de generaties R1, R2 en R3.

Concluderend kunnen we stellen dat als ons doel is om nuances van wildzang aan te brengen in het lied van onze kanarie, we moeten werken met heterozygote exemplaren (ZZ) waarbij gezocht moet worden naar een recombinant chromosoom die zowel informatiedrager is van gedomesticeerde als van wildzang is, maar waarbij de eerste dominant is, zoals ook al gezegd werd door Rafael Martínez Bouzo "de wildzang moet druppelsgewijs bij de zang van onze kanaries ingebracht worden, omdat het anders geen zuivere timbradozang meer is". Er bestaan voldoende voorbeelden hiervan bij onze kanaries, om te weten dat bovenstaande optreedt.

Als we echter kruisen met als doel alleen wat "verversing" aan te brengen, dan werken we altijd met de homozygote gedomesticeerde exemplaren (ZZ).

2.2.5. Koppelen om het fenotype te versterken.

Bestaat uit het koppelen van exemplaren omdat ze een overeenkomstig fenotypte hebben, afhankelijk van de karakteristieken die we willen versterken.

2.2.6. Koppelen met aanvullend fenotype

Bestaat uit het koppelen van twee exemplaren met verschillende karakteristieken, met als doel om bepaalde ongewenste karakteristieken te compenseren of er uit te kweken.

3.  Tot slot - de conclusies

In de voorgaande hoofdstukken is een generiek overzicht gegeven van de verschillende systemen om koppels te vormen, maar de kweker die zich hiervoor interesseert moet concreet weten hoe te handelen in zijn specifieke situatie.

Het is vanzelfsprekend dat het soort kruising dat wordt toegepast, afhangt van veel verschillende factoren. Een beginnend kweker wil vooral weten hoe hij een lijn kan opzetten en vastleggen, later zal hij willen weten hoe de lijn in stand te houden en hoe hij nieuwe karakteristieken in kan brengen en in sommige gevallen, hoe enige verversing erin aangebracht kan worden. Afhankelijk van hoe we ons ontwikkelen als kweker, groeit onze kennis en zijn we in staat complexere resultaten te behalen. Daarom is het moeilijk om een advies te geven dat opgaat voor alle kwekers in het algemeen.

Desondanks, gaan we hier een 8-tal basisregels weergeven, die van belang zijn om toe te passen, alvorens de koppels samen te stellen.

1º) We moeten ons doel duidelijk hebben. Waarom stellen we het koppel zo samen en wat willen we ermee bereiken.

2º) Bij het samenstellen van het Koppel zijn er drie factoren waarmee we rekening mee moeten houden, die genetisch zijn vastgelegd en die invloed hebben op de zang en die onafhankelijk van elkaar overgedragen worden:

bullet

Het zangapparaat, het instrument, waarmee het geluid gevormd wordt. Vele genenparen spelen hierbij een rol (genetische kwantiteit) en de vererving is autosoom (niet gekoppeld aan het geslachtschromosoom).
 

bullet

De zangaanleg, die bepalend is voor de mogelijkheid om een bepaald type toeren te brengen: genetisch kwalitatief en gekoppeld aan het geslachtschromosoom.
 

bullet

De zangintelligentie, talent of mogelijkheid om een lied te vormen, componeren; vermoedelijk genetisch kwantitatief en onafhankelijk (autosoom) verervend.

3º) We selecteren de kweekvogels zo, en we stellen de kweekkoppels zo samen, dat we rekening houden met meerdere mogelijkheden, zodat in het geval dat we een bepaalde kruising niet kunnen doorzetten (bijvoorbeeld omdat een vogel komt te overlijden, onvruchtbaar blijkt, etc.) we over andere exemplaren kunnen beschikken waarmee we toch de beoogde resultaten kunnen behalen. Met andere woorden, we moeten altijd over een plan B beschikken; het komt elk jaar weer voor dat om wat voor reden dan ook, een bepaald kweekkoppel niet goed uitpakt. Dan is het belangrijk dat we alternatieven voorzien hebben, om te voorkomen dat we op zo’n moment moeten gaan improviseren. Bij de realisatie van ons kweekplan, gebaseerd op selectie, zou improvisatie catastrofale consequenties kunnen hebben.

4º) Gebruik een kweekschema, als richtinggevend bij de samenstelling van koppels en het samenstellen van de vervolgkoppels, bijvoorbeeld:

Een traditioneel en eenvoudig schema om te kweken in bloedverwantschap ziet er als volgt uit:

1ª Generatie: koppel een man (1) met twee poppen (2 en 3), niet per definitie verwant.

2

Koppel 1

X

1

Koppel 2

X

3

Jong

4

Jong

5

Jong

6

Jong

7

1ª Generatie

2ª Generatie: we hebben meerdere opties. We koppelen man nummer 1 met twee van zijn dochters (5 en 6), man 4 koppelen we met zijn moeder (2) en met een halfzus (6) en man 7 koppelen we aan zijn moeder (3) en aan een halfzus (5). Ook kunnen we enkele koppels buiten de bloedverwantschap opzetten (man 4 met pop 3 en man 7 met pop 2).

5

Koppel 3

X

1

Koppel 4

X

6

Vader

Kruising in bloed verwantschap 1e graad

Vader

Kruising in bloed verwantschap 1e graad

X

X

dochter

Dochter

8

9

10

11

2ª Generatie

 

Koppel 5

 

Koppel 6

 

 

3

              X

7

X

5

Zoon X Moeder

Bloed verwantschap 1e graad

Halfbroer/halfzus

Bloed verwantschap 2e graad

2e

12

13

14

15 generatie
 

 

3

Koppel 7

           X

4

Koppel 8

        X

6

Zoon X moe-der

Bloed verwant-schap 1e graad

Halfbroer. halfzus

Bloed verwantschap 2e graad

16

17

18

19

Generatie

 

3ª Generatie: de mogelijkheden om koppels te maken, zijn nu enorm toegenomen. We kunnen de koppeling grootvader/grootmoeder met kleindochters, kleinzonen maken (2e graad), vaders/moeders met zonen/dochters (1e graad), halfbroer/halfzus (2e graad), ooms/tantes met neven en nichten (3e graad) en tussen neven (4º graad). Ook kunnen we enkele koppels opzetten zonder bloedverwantschap tussen de afstammelingen van pop en de afstammelingen van pop 3 .

Uitgaande van één man met twee poppen, kunnen we in slechts drie jaar al een familiegroep vogels opbouwen. Als de gewenste resultaten behaald worden en de gewenste doelen worden bereikt, dan hebben we de basis gelegd om koppels te vormen en in bloedverwantschap door te kweken zonder misbruik te maken van te nauwe verwantschap (dus brede bloedverwantschap en lijnenkweek) en zonder de noodzaak om nog één nieuwe veer in ons bestand in te brengen.

In de meeste gevallen zal zo binnen enkele jaren een grote homogeniteit in de genetische aanleg van ons vogelbestand ontstaan. Als we op die manier winnen aan homogeniteit, dan winnen we aan samenhang en verbeteren we onze vogels, totdat we uitkomen op het niveau dat door de experts wel de "top van bloedverwantschap" genoemd wordt. Dit is het moment dat een teveel aan bloedverwantschap negatief uitpakt, om reden van het verlies aan genetische variëteit en de opeenstapeling van negatieve genetische informatie (bijvoorbeeld lethaal en sublethaal factor, genen die verantwoordelijk zijn voor het verlies van vitalititeit en weerstand, etc.). Ik ben ervoor om een zekere graad van genetische variëteit te koesteren in ons vogelbestand, door daar bij de paarvorming bewust rekening mee te houden. Het advies is om een uitgewerkte familie stam te vormen op basis van nauwe bloedverwantschap, als basis voor ons vogelbestand en daarnaast verschillende familietakken parallel op te zetten, waarbij we uitgaan van half-open bloedverwantschap. Het gebruik van half-open bloedverwantschap, stelt ons in staat om gedurende een langere periode de genetische variatie in ons vogelbestand te koesteren, waardoor minder snel de problemen zullen optreden die gepaard gaan met kweken in nauwe bloedverwantschap.

Op het moment dat we merken dat we niet meer in staat zijn om verbeteringen in ons vogelbestand tot stand te laten komen, dan wordt het tijd om een "verfrissing" uit te voeren. We brengen een nieuwe vogel in, binnen onze familiegroep. Zo wordt achteruitgang of "stilstand" van ons vogelbestand voorkomen. Het is een moment dat we dus weer vanaf het begin aanvangen, omdat we een hoeveelheid genen inbrengen die de genetische variëteit vergroot, waardoor de samenhang in ons vogelbestand afneemt en de heterogeniteit toeneemt. Maar het verschil is nu dat we in de tweede generatie niet weer tot paarvorming in hele nauwe bloedverwantschap over hoeven te gaan. De eerder in ons vogelbestand verkregen homogeniteit, als we het tenminste goed gedaan hebben, maakt het mogelijk om de exemplaren die geboren worden uit kruising met de nieuwe vogel, de eerste generatie, te koppelen aan elke verwante vogel uit ons bestand.

Als we samenwerken in een groep, met andere kwekers, dan kunnen we het nog anders aanpakken. Zoals we hebben gezien, kunnen we vanaf de derde generatie zoveel combinaties maken dat het vrijwel onmogelijk is dat een enkele kweker al die combinaties uitwerkt. Als we samenwerken in een groep, met andere kwekers, kunnen exemplaren van onze familiegroep door andere kwekers verder uitgewerkt worden. Op die manier kunnen, ondanks ruimtegebrek of tijdgebrek, toch vele interessante combinaties van een familiegroep uitgewerkt worden. Op deze wijze kunnen we met meerdere kwekers gezamenlijk een familiegroep uitwerken, ieder in zijn eigen geïsoleerde kweeklijnen. Deze familiegroep zal door de gezamenlijke genetische afstamming, ook na vele generaties, nog altijd de kenmerken houden van de oorspronkelijke afstamming, maar met de specifieke eigenaardigheden waar een kweker op selecteert (hier kunnen we dan spreken van verschillende lijnen uit een familiegroep).

Als dit werk gecoördineerd en op slimme wijze gebeurt, waarbij men het eens is over de criteria om eigenschappen vast te leggen en over de selectie van kweekvogels en koppelvorming, en als er bovendien gedurende een aantal jaren niet samen met eenzelfde vogel gewerkt wordt, dan is het mogelijk om op het moment dat een van de lijnen de eerste symptomen van degeneratie vertoond, een verfrissing uit te voeren vanuit een van de parallelle lijnen bij een andere kweker. De bloedverwantschap is dan zo open, dat we wellicht kunnen spreken van een verwantschap tot in de 6e graad of verder weg. En hoewel de patronen om te koppelen op gelijke manier zijn toegepast, en alhoewel we hetzelfde resultaat hebben nagestreefd, de genetische basis maakt dat we wel opnieuw de gewenste eigenschap verkrijgen en tevens toch het effect verkrijgen van een verbreding van de genetische variëteit, net als dat we een geheel vreemde vogel in ons bestand hadden ingebracht. Maar nu dan wel met het voordeel dat we niet weer helemaal opnieuw hoeven te beginnen om de homogeniteit in ons bestand op te bouwen. We winnen dus enorm veel terrein en voorkomen dat we een aantal jaren verliezen, die nodig zijn als het resultaat van een onverwante kruising niet het gewenste effect geeft.

Het is inmiddels aangetoond dat bovenstaande haalbaar is, en met groot succes wordt toegepast bij verschillende groepen kwekers. Echter, de eerlijkheid gebied ook om te erkennen dat uitwisseling van goede vogels tussen enkele kwekers, in de praktijk vaak al eerder gebeurd dan wenselijk is, waardoor de mogelijkheid verloren gaat om de aangeraden genetische variatie te verkrijgen die geadviseerd wordt in een familiegroep die uit verschillende geïsoleerde kweeklijnen bestaat.

5º) Alhoewel we een kweekschema volgen zoals hierboven als voorbeeld gegeven, moeten we goed begrijpen dat we nooit de gevangenen van een schema mogen worden. Om het schema goed te gebruiken, moeten we ten alle tijden de regels genoemd onder 1, 2 en 3 in gedachten houden. Als we een koppel samenstellen, moeten we ons altijd eerst afvragen waarom zo en met welk doel. Want als we een schema volgen, maar een kruising draagt niet bij aan het resultaat dat wordt nagestreefd, dan moeten we die kruising niet maken, en vooral niet als we in bloedverwantschap werken. Bloedverwantschap volgen met als doel om het schema uit te voeren is een stommiteit, er moet altijd een reden zijn om een schema te volgen.

6º) Als we open kruisingen uitvoeren moeten we erop letten dat de exemplaren die we aanschaffen uit families komen met geselecteerde karakteristieken die passen bij onze vogels en dat de vogels het zuivere resultaat zijn van een zorgvuldig werk in bloedverwantschap, waarbij purificatie heeft plaatsgevonden.

7º) We moeten beseffen dat een kampioensvogel niet hetzelfde is als een goede kweekvogel. Hoewel een kampioen een kweekvogel kan zijn, zijn er ook kampioenen, die als ze ingezet worden bij een open kruising nauwelijks iets overbrengen, of een vererving hebben die nauwelijks overeenkomt met de gewenste eigenschappen.

8º) Niet alle exemplaren vererven of overdragen op dezelfde wijze de karakteristieken die wenselijk zijn. We moeten die vogels identificeren, mannen of poppen, die in ons vogelbestand de gewenste karakteristieken overgeven aan hun nageslacht. Rond die vogels moeten we ons werk centreren. Als we de stambomen bestuderen van onze beste vogels, dan zien we daarin dat er exemplaren meerdere keren voorkomen, waarmee de goede vererving van die vogels wordt aangetoond.

 

HOOFDSTUK 4       Parallelparing en wisselbroed

Tot zover de uit het Spaans vertaalde teksten. In het voorgaande hoofdstuk wordt het advies gegeven om een relevant schema te volgen. In Spanje is de Tafel van Felch het meest bekende en wellicht het meest besproken schema. Maar er bestaan veel meer schema’s, die een richting aangeven om met gebruik van bloedverwantschap een goed vogelbestand op te bouwen. Bekend is bijvoorbeeld ook het Trettersysteem, dat begin vorige eeuw door Tretter werd ontwikkeld. In Nederland heeft met name M. Weijling in zijn boek ‘Het boek voor de zangkanarie kweker[1]’, verschillende kweeksystemen uiteen gezet en met elkaar vergeleken.  

Het boek van Weijling geeft ons inzichten in de wijze waarop parallelle paringen opgezet kunnen worden, met een man op meerdere poppen. Een echte verbetering van het vogelbestand kan daarbij alleen bereikt worden als er met meerdere geïsoleerde foklijnen gewerkt wordt, zo stelt hij. Met die strategie is het mogelijk te kweken en te selecteren, tot een gewenst resultaat bereikt is. Door het werken met geïsoleerde foklijnen wordt het tevens mogelijk om na enkele jaren een vogel uit de tweede parallelle lijn in te zetten in de eerste lijn. Het voordeel is natuurlijk het effect van het inbrengen van nieuw bloed (verbreding van de verscheidenheid in genen) terwijl er al een basis aan zanggelijkheid bestaat. Bovendien zijn bepaalde karakteristieken van de zang min of meer vastgelegd, in het ideale geval is de vogel op bepaalde karakteristieken zelfs zuiver verervend.  Een samenvatting uit het belangrijkste hoofdstuk van zijn boek willen we hier presenteren. Het betreft fragmenten uit hoofdstuk 17 uit bovengenoemd boek dat handelt over parallelparingen en wisselbroed.

Weijling begint het hoofdstuk met een definitie van wisselbroed: “.. volgens een bepaald stelsel van voor minstens drie jaren vastgestelde paringen binnen afzonderlijke lijnen, is het beste en meest doelmatige foksysteem voor de stamteelt. De wisselbroed, waaraan in het verleden geen speciale betekenis werd toegekend, verdient thans te worden verheven tot een universeel foksysteem, omdat het geschikt is zowel voor kruising als voor het zuiver fokken van een familiegroep.”

 

Iets verderop verklaart hij waarom parallel paren in wisselbroed beter werkt dan het werken met kweekkoppels: “In de gewone praktijk komt het veelvuldig voor, dat een of andere paring in familieverband een prima zanger oplevert, maar juist hierdoor geraakt de oppervlakkige waarnemer op een dwaalspoor, want het ontstaan van dergelijke (min of meer toevallige) enkelingen is geen stamteelt. De een kweekte een goede vogel uit vader X dochter, een ander uit zoon X moeder, weer een ander uit broer X zuster, maar enorm groot is het aantal kwekers, die met deze paringen niets bereikten. Een bepaalde familieband is niet beslissend. Beslissend is of in de te paren dieren gelijke en voor goede zang geschikte erffactoren aanwezig zijn.”

 

Het vinden van vogels, die gelijke en voor goede zang geschikte erffactoren dragen, kunnen we gunstig beïnvloeden, volgens Weijling:

“Ten eerste door een man (als begin van de teelt) te paren met drie of meer poppen van gelijke zangrichting, hetzij uit één stam, hetzij uit meerdere stammen, waarmede wij dan in zekere mate gebruik maken van in de poppen aanwezige zangverschillen, om gewaar te worden uit welke van de poppen het beste resultaat te voorschijn komt; Ten tweede om ook in de doorteelt steeds een man met meerdere poppen te paren, omdat wij alleen op deze wijze gewaar kunnen worden welke pop of poppen op gelijke wijze vererven. De gehele teelt en de stamvorming is niets anders dan bij een bepaalde man de bijpassende, gelijk verervende pop of poppen te vinden.”

 

Weijling benoemd de verschillende bestaande schema’s en stelt daarover: “Vrijwel elk der zojuist genoemde kweekwijzen bevat iets goeds. Deze ongetwijfeld goede elementen behoren in een afzonderlijk systeem te worden gebundeld, welk systeem zelf de parallelparingen tot grondslag heeft als middel om met meer zekerheid gelijkverervende mannen en poppen te kunnen opsporen.” 

Ook Weijling omschrijft het gebruik van kruisingen, met als doel om bepaalde specifieke toeren in te brengen of om een meer variabele zangrichting te verkrijgen. Hij wijst erop dat parenbroed nooit het voldoende aantal jonge dieren geeft om een resultaat vast te leggen “bij parenbroed mist men ten enenmale een groot aantal jonge poppen, immers de beschikbare jonge poppen zijn uit andere mannen voortgekomen. “

 

Hij stelt dat het mis gaat op het moment dat het echte werk moet beginnen; veel kwekers weten dan niet de goede vervolgstappen te zetten, door te kweken na een eerste behaald succes en dan een stam opbouwen. “Een ieder kent ze uit zijn eigen kring. Een kweker heeft vier of meer goede vogels ter wedstrijd gebracht en meent dat hij daarmede reeds naam begint te maken. Een jaar later is zijn resultaat echter bepaald teleurstellend. …Dat een goed resultaat in het ene jaar, gevolgd wordt door een slecht resultaat in het volgende jaar is heel niet vreemd, ja zelfs redelijk te verklaren. Als een kweker erin slaagde vier of zes goede wedstrijdvogels te kweken, dan is daarmede voor hem het beslissende moment aangebroken waarop die verkregen zangkwaliteit zal moeten worden vastgelegd. Menig kweker ziet echter dit moment als zodanig niet. Hij ziet het slechts als het tijdstip van zijn eerste opmerkelijke succes en verwacht als het ware, dat nu de verdere teelt vanzelf wel weer vogels van die prima zangkwaliteit zal opleveren. Dit is echter een jammerlijk veel voorkomend verkeerd inzicht.”

 

Maar ook Weijling beseft terdege dat het kweken van een goede zangkanarie een moeilijke opgave is. “Daar zijn een tamelijk groot aantal zeer bepaalde erffactoren voor nodig. Ligt het dan niet voor de hand, dat wij precies dezelfde erffactoren van een man moeten zoeken in zusters en halfzusters van die man? Deze immers hebben met die man een bepaalde afstamming gemeen.

Maar in de praktijk wordt hiermede meestal geen rekening gehouden, althans niet bij de parenbroed. De parenbroed biedt ook trouwens geen voldoende gelegenheid om er rekening mede te houden. Voor de toepasser van parenbroed ligt het vinden van "gelijke factoren" eigenlijk alleen maar in de paring van broer X zuster.” ….”In de praktijk van de parenbroed wordt dan ook vrijwel steeds een goede zoon uit het ene fokstel gepaard met een dochter uit een heel ander fokstel, doch die dochter is dan niet de bijpassende pop.”

 

Weijling stelt dat het nodig is om met elke pop eerst ervaring op te doen in de teelt alvorens wij haar waarde kunnen beoordelen. Hij noemt het vaststellen van de erfelijke waarde van de pop daarbij een zaak van het grootste belang. Weijling noemt de pop “de halve fokstam. “ Maar ook constateert Weijling dat kwekers niet altijd voldoende rekening houden met de erfelijke waarde van de pop en dat niet de middelen worden toegepast om systematisch echte stampoppen te fokken. “Men bezigt ook een totaal verkeerde methode voor beoordeling van de erfelijke waarde van de pop. Men schijnt er reeds mede tevreden te zijn, indien een fokpaar onder meerdere jongen slechts één behoorlijke zanger oplevert, maar in dit geval is er geen sprake van enige fokzuiverheid. Hier vinden wij dus weer dezelfde oorzaak, waardoor parenbroed vrijwel nimmer tot fokzuiverheid leidt.”

 

Wat is dan wel het juiste middel voor beoordeling of een pop een gunstige erfelijke waarde heeft? Weijling adviseert de kwekers daarbij de lat hoog te leggen. Het gaat niet om die ene man, die een prachtige zang bracht, omdat het daarbij slechts om een enkele vogel gaat. Dit geeft dus geen enkele aanleiding te veronderstellen dat het ouderkoppel, of de moeder of de vader, zuiver verervend was. “Wij dienen voornamelijk te letten op die paringen, waaruit b.v. drie zonen gelijk van zang zijn, want dergelijke zanggelijkheid, zich demonstrerend in meerdere zonen, wijst op fokzuiverheid van zowel de vader als van de moeder. In dit geval zou dan de kweker reeds ten minste één stampop hebben gevonden, immers naar het resultaat past deze moeder bij de vader, want wel drie zonen waren gelijk van zang.”

 

Weijling attendeert ons erop dat ook de dochters (zusters van de drie goede zonen) mogelijk eveneens een zekere graad van fokzuiverheid hebben. “Het is echter beter om dit niet voor zeker te houden en de erfelijke waarde van de jonge popjes wederom pas te beoordelen nadat ze in de teelt zijn beproefd.”

 

En weer kunnen we ons dan afvragen hoe die popjes dan vervolgens verder te paren. Wisselbroed van 1 man met meerdere poppen is voor Weijling het antwoord. “De oplossing: als de kweker de vader van zijn drie gelijk zingende zonen (die het op de wedstrijd zo goed deden) nu eens met 4 of 5 poppen uit de familie had gepaard, dus met poppen, die van vaders kant ook van behoorlijke afstamming waren, dan zou het toch geen roekeloze verwachting geweest zijn dat een van de vier andere poppen ook eens twee of drie van die gelijk zingende zonen had opgeleverd en als die ook eens een paar zusjes hadden, dan konden toch de gezamenlijke dochters uit de bewuste twee overjarige stammoeders allen als stampopjes beproefd worden, door een zoon uit de ene moeder te paren met de dochters uit de andere moeder en wederkerig een zoon uit de andere moeder met de dochters van de ene moeder, m.a.w. paring van broer met zijn halfzusters.”

 

En deze oplossing is niet de enige richting die Wijling aangeeft. “ Hiermede heb ik een z.g. gunstig moment in de teelt aangewezen, gelijk dit zo veelvuldig in de praktijk voorkomt. Er zijn variaties denkbaar, b.v. drie gelijk zingende zonen uit een man en eveneens drie gelijk zingende zonen uit een broer van die man.”

 

En dan komen we bij de essentie: “Hoofdzaak is dat begrepen moge worden, hoe gelijkheid van zang door de kweker zelf opgemerkt dient te worden en dat men van te voren de paringen zodanig moet inkleden om tot de zo juist geschetste mogelijkheden te kunnen komen. Zonder enige systematiek is stamteelt niet mogelijk. Moge tevens worden ingezien, dat familieteelt met gewone parenbroed maar hoogst zelden de zo juist beschreven gunstige momenten oplevert, om de eenvoudige reden dat elk fokpaar een afzonderlijke man en pop vereist en hoe meer vogels wij in de teelt gebruiken, hoe groter de kans op ongewenste zangverschillen (erfelijke onzuiverheid).”

 

Weijling geeft ons vervolgens een advies, gebaseerd op voorgaande: “Als wij echter steeds tijdens de stamvorming een man met meerdere poppen paren, dan fokken wij veel jongen met een gemeenschappelijke afstamming en hebben wij tegelijkertijd een ruime gelegenheid die gemeenschappelijke afstamming te benutten om de gewenste factoren uit die jongen weer tezamen te brengen.”

 

Als slot van zijn inleiding op de wisselbroed, benadrukt Weijling nogmaals dat niet alleen het systeem van belang is maar dat ook de algemene selectie-eisen vanzelfsprekend toegepast behoren te worden; eisen ten aanzien van gezondheid, goede broedeigenschappen en de vruchtbaarheid. “Wij dienen derhalve te waken voor éénzijdige selectie welke enkel op de zangeigenschappen is gericht, want voor stamvorming is vooral ook de gezondheid, goede broedeigenschappen en de vruchtbaarheid van onze fokdieren een noodzakelijke eis, welke te meer geldt voor de wisselbroed.” Juist omdat een zo groot mogelijk aantal zusters en/of halfzusters met een bepaalde man worden gepaard is de vruchtbaarheid zo belangrijk om tot stamvorming te komen. Weijling besluit met: “Hoe logischer en consequenter het systeem  toegepast zal worden, des te opvallender zal de stamvorming ook tot stand komen.” Vervolgens legt hij de toepassing van het systeem uit.

 

4.1      De toepassing

 1e jaar: 1 man paren met drie of vier poppen.

2e jaar: telkens 1 zoon uit de ene moeder paren met dochters uit een of beide andere moeders.

3e jaar: weer 1 zoon (van het 2e jaar) paren met zijn halfzusters totdat een aantal gelijk zingende mannen en daarbij passende poppen zijn gevonden.

 

Dit schema geeft de vorming van een geïsoleerde foklijn weer. Het gehele nageslacht binnen die foklijn is van slechts één enkele man afkomstig, de stamvader. Het is de bedoeling om minstens twee zulke geïsoleerde foklijnen te vormen.

Het eerste jaar spreekt voor zich. In het tweede kweek jaar worden heel weinig mannen ingezet en wel de zonen uit het eerste kweekjaar. Daarnaast moeten we zoveel mogelijk alle jonge poppen van het eerste jaar gebruiken.

De keuze voor de man in het tweede jaar: zo mogelijk uit elk moederdier één zoon en wel een vogel, die de beoogde toeren in behoorlijke vorm brengt. In dit stadium van de vorming van de foklijn kunnen geen te hoge eisen gesteld worden aan de zang. De paringen voor dit tweede jaar zijn:

een man uit pop A X zijn halfzusters uit de poppen B en C;

een man uit pop B X zijn halfzusters uit poppen A en C;

een man uit pop C X zijn halfzusters uit de poppen A en B.

Wanneer het nu zó uitkomt, dat men b.v. uit pop C maar een of twee dochters heeft, daarentegen uit de twee andere stammoeders A en B een meer dan voldoende aantal dochters, dan is dat geen reden tot  zorg. Dit is geen afwijking waarmede het succes staat of valt. Ook is het mogelijk om uit een stammoeder twéé zonen te bezigen en Weijling raad zelfs aan dit te doen ingeval die twee zonen (dus broers) kennelijk gelijk in zang en toeren zijn.

Na beëindiging van het tweede jaar is het nodig om meer dan in het voorgaande  jaar te letten op de zang van de jonge mannen.

Voor het derde jaar zijn wederom maar heel weinig mannen voor de doorteelt bestemd, hoe minder hoe beter. In geen geval worden 2e jaars mannen ingezet, die onderling sterk in zang verschillen. In het derde jaar moeten de mannen beslist in zang overeenkomen, is het niet in alle toeren, dan toch wel in de aard der klanken.

 

Nu kunnen zich twee mogelijkheden voordoen:

1e. onder deze mannen bestaan broers/halfbroers, die prima overeenstemmen;

2e. of zangovereenkomst is te vinden in drie of vier mannen, die elk uit verschillende paringen afkomstig zijn.

In ieder geval moet het zoeken naar éénheid van zang beslist worden betracht.

 

Indien we dit resultaat hebben aangetroffen, dan is het doel nog niet bereikt. Alleen de mannen zijn bekend. Het is dan nog nodig om de daarmee overeenkomende poppen te ontdekken (wat hun vererving betreft). Deze poppen moeten of kunnen zich bevinden onder de zusters en halfzusters van de opvallend goede mannen. Daarom worden de opvallend goede mannen in het derde jaar met hun halfzusters of zusters gekoppeld. Hoe treffender de gevonden zangovereenkomst tussen de gevonden jonge mannen is, hoe groter is ook de kans de bijpassende poppen onder hun zusters en halfzusters te vinden. Die poppen, welke gepaard met de preferente mannen (zie het schema) alleen maar mannen geven met dezelfde prima zang als de preferente dieren zelf, dat zijn de echte stampoppen.

 

Weijling verklaart de grondslagen van het systeem als volgt:

“Het parallelparen is op zich zelf reeds een algemene grondslag welke al tot gelding komt bij de eerste opzet. Waarom paren wij daar één man met meerdere poppen? Omdat wij al zo reeds in de aanvang de kans benutten om de best bijpassende pop (poppen) te vinden. …Het parallelparen dient om de kansen op het vinden van bijpassende poppen doeltreffend te doen zijn.

 

Er zijn kansen en doeltreffende kansen en deze kansberekening speelt bij de stamvorming een zeer voorname rol. Bij parenbroed met 10 fokparen heeft elke fokman slechts één kans op ook maar één bijpassende pop, doch deze afzonderlijke kansen zijn dan toch grotendeels slechts op goed geluk gebaseerd. Bovendien heeft de praktijk van parenbroed uitgewezen, dat we toch niet bij véle mannen de juiste pop vinden. Dit wijst er dus op dat wij op een of andere wijze onze kansen gunstiger moeten maken.

 

Toegegeven dat het vinden van bijpassende poppen een moeilijk werk is - zonder ze te zoeken en te vinden is het geen stamvorming - zo is zulks een reden te meer om het niet met vele fokmannen tegelijk te proberen. Wij moeten dit werk vereenvoudigen door het gebruik van maar weinig fokmannen en onze kansen moeten we evenredig doen stijgen door elke fokman met meerdere poppen te paren. Hierin ligt al de doeltreffendheid van de kans om niet slechts één, doch twee of meer bijpassende poppen bij een bepaalde man te vinden. De doeltreffendheid wordt nog verhoogd als we niet maar met louter willekeurige poppen parallelparen, doch met poppen, die met de man een

gemeenschappelijke afstamming hebben, immers deze houdt de grootste kans in voor gemeenschappelijke erffactoren.

 

Hiermede zijn we gekomen tot de andere grondslag van het systeem n.l. de gemeenschappelijke afstamming. Nu we als het ware plotseling met deze uiterst belangrijke grondslag worden geconfronteerd lijkt het alles eenvoudig en vanzelfsprekend. Toch heeft men het in het verleden wel wat al te vanzelfsprekend geacht, alsof het onnodig was er nog speciaal de aandacht op te vestigen. Dat stamvorming tevens het zoeken naar de bijpassende poppen vereist, scheen eveneens geen speciale aandacht waard te worden geacht. Op deze wijze zijn echter onmisbare grondslagen in de praktijk geheel uit het oog verloren, althans menigmaal geheel op de achtergrond geraakt..

 

In een systeem voor stamvorming mogen deze grondslagen echter niet ontbreken. Wanneer we parallelparen (wisselbroed) als een grondslag

accepteren, dan doen we dit omdat deze grondslag de toepassingsmogelijkheid biedt voor de andere grondslag, de gemeenschappelijke afstamming, want hierin ligt de kans voor het vinden van de onontbeerlijke gemeenschappelijke erffactoren.”

 

Weijling spreekt ook uit eigen ervaring: “Ik zocht steeds paringen te bewerken tussen een man en zijn halfzusters en mocht dan ook het genoegen smaken steeds vogels van gelijke toeren en klanken te kunnen inzenden.

In mijn functie van Bondsstamboekhouder ben ik ook in de gelegenheid om waar te nemen, dat de zo juist genoemde gelijkheid van zang vrijwel steeds bij die kwekers wordt gevonden, die parallelparingen in toepassing brengen.”

 

Tot besluit geeft Weijling nog een toelichting op enkele begrippen, die de pijlers van zijn systeem vormen. Ten eerste het begrip bijpassende poppen.  

“Hier wordt niets minder verlangd dan dat de poppen in hun verervingswijze (bezit aan erffactoren) precies gelijk zijn aan hun man. Deze poppen te vinden is daarom een moeilijke opgave,omdat het vrijwel zeker niet één, doch meerdere erffactoren betreft. Wij moeten daarom bij het beginnen met parallelparingen uitgaan van de stelling, dat de beginouders elkaar erfelijk niet geheel en al gelijk zijn, zelfs als wij beginnen met dieren van één kweker. Dit is immers juist de reden waarom een nieuw foksysteem nodig is. Wij moeten er dan ook op rekenen dat parallelparingen zeker niet terstond een geheel van prima toeren zullen opleveren. Wij moeten afwachten wat er uit komt. Wat erin zit kunnen wij eruit te voorschijn brengen. Wat er erfelijk niet in zit, kan met geen enkel foksysteem te voorschijn worden gebracht. In grote mate zal het ervan afhangen in hoeverre de dieren, waarmede wij de teelt beginnen, erfelijk reeds een aantal factoren gemeen hebben. Binnen één lijn zal het kunnen plaats vinden, dat uit de ene pop vogels met prima toeren voortkomen en uit een andere pop vogels met andere prima toeren. Het beste is dan om die foklijn in tweeën te splitsen en eerst enerzijds de lijn met de prima toeren en anderzijds de lijn met de andere prima toeren vast te leggen. We vormen dus twee afzonderlijke foktomen, die ieder voor zich bestaan uit een vader, een moeder en kinderen, maar – en dit is het voordeel - doordat wij parallel hebben gepaard, hebben we veel jongen, die we als broeder X halfzusters voort kunnen paren. Elke lijn of foktoom dient dus eerst afzonderlijk afgewerkt te worden. Zijn we er in de doorteelt dan in geslaagd enerzijds de prima toeren verervende poppen en anderzijds de andere prima toeren verervende poppen aan te wijzen, dan zijn beide lijnen zuiver verervend geworden, maar ook pas dan kan met succes tot kruising van de beide lijnen worden overgegaan om al het prima toerenwerk te verenigen.”

 

Ten tweede een toelichting op het principe van geïsoleerde foklijnen: “Een foklijn beginnen en uitwerken heeft alleen zin als er het voornemen aan ten grondslag ligt om hem te isoleren en geisoleerd te houden, d.w.z. in de foklijn geen andere dieren gebruiken, dan die er zelf uit zijn voortgekomen. Ja, zullen vele kwekers hierop zeggen: "ik kweek ook reeds jaren met mijn eigen dieren voort en betrek er geen andere vogels in en toch bereik ik mijn doel niet of maar onvolkomen. Ik kweek wel ieder jaar een beperkt aantal goede zangers, doch dit zijn maar enige uitblinkers. Over mijn stam als geheel ben ik niet tevreden." Mijn antwoord hierop is, dat deze kwekers niet een of twee foklijnen hebben geïsoleerd, doch hun hele vogelbezit als familie met alles wat ertoe behoort en wat erin zit, prima werk, goed werk en minder goed. Als men dit alles binnen een grote familiegroep isoleert en het zoeken van gelijkverervende mannen en poppen uit het oog heeft verloren, dan bereikt men er weinig of niets mee…..

Het isoleren van een foklijn is trouwens op zichzelf slechts een onderdeel van het systeem. We isoleren een beperkt groepje dieren, om daaruit een zangeenheid te vormen en die zangeenheid, zo ze ergens optreedt, ook vast te leggen. Het isoleren, zowel als het selecteren van de zangeenheid en het

vastleggen, moet alles binnen de foklijn plaats vinden. “

 

En dan komt Weijling op de derde pijler van het systeem: de positieve en negatieve selectie.

“Dit houdt vanzelfsprekend tevens in, dat van jaar tot jaar ook een aantal ongewenste dieren uit de foklijn moet worden verwijderd. Het uitverkiezen van het goede is de positieve selectie. Het verwijderen van het middelmatige en ongewenste is de negatieve selectie. Deze negatieve selectie moet men aandurven.”

 

Om het systeem nog eens samen te vatten, laat Weijling een denkbeeldige toepasser van de wisselbroed aan het woord, met de onderstaande logisch klinkende redenering:

 

"Ik kies mij voor het vormen van een foklijn een goede fokman, die ik ook vanwege zijn zang heb uitgezocht. Ik noem hem de stamvader van de

foklijn. Ik paar hem met drie of meer poppen uit de totale familiegroep, waarvan de vaders zo mogelijk in zang met de zo juist genoemde stamvader overeenkwamen. Ik maak mij geen overdreven zorg of nu wel verwacht kan worden dat de gekozen stamvader wel inderdaad goed zal vererven, want zijn zang is prima en naar mijn wensen. Nu die vogel prima

zingt, staat het voor mij vast, dat hij erffactoren bezit, die dit mogelijk maken. Nu ik die ene stamvader paar met meerdere poppen, zal ik gewaar

worden welke van die poppen er het beste bijpassen en ik heb de zekerheid dat alle kinderen de factoren van de stamvader zullen bekomen. Wat de poppen er in zullen brengen, moet ik afwachten en via verdere teelt gewaar worden. Ik kan vrijwel met zekerheid verwachten, dat er ook een andere toerencombinatie of andere klankligging of andere toervorm aan de dag treedt. Bij gunstig verloop van de broederij zal ik zulks reeds in het tweede jaar kunnen constateren. Ik moet dus zelf acht geven hoe de lijnvorming zich ontwikkelt. Maar hoe na het 2e of 3e jaar ook mijn definitieve keuze zal zijn, vooraf weet ik te kunnen voortparen, omdat ik elk jaar parallelpaar, en dus steeds een flink aantal jongen van één vader disponibel zal hebben."

 

Tot zover de weergave van de parallelparingen in geïsoleerde foklijnen. Aan het eind van het hoofdstuk verontschuldigd Weijling zich bijna, dat hij niet in staat is om de erffactoren voor zang in een schema weer te geven. Hoe handig zouden formules zijn, zoals die bij de kleurkanaries in gebruik zijn. Het is echter niet mogelijk om deze formules te geven, omdat de erffactoren die de zang bepalen niet rechtstreeks aan de vogels af te zien zijn. Dit betekent niet dat er geen sprake is van erffactoren, het is alleen ingewikkelder om de erffactoren vast te stellen. Denk bijvoorbeeld aan een hoge eierproduktie bij kippen, of een grote melkproductie bij koeien. De hoge eierproduktie of melkproduktie wordt gevormd door een aantal fysieke factoren van de kip of de koe, onder gunstige omstandigheden. Toch is de mens wel degelijk in staat gebleken om door toepassing van een systematische fok en toepassing van erfelijkheidsleer, te komen tot een hogere produktie. Systematische parallelparingen in geïsoleerde foklijnen worden ook hier toegepast.    

 

Terug naar Weijling. Want hoe is het nu gesteld met erffactoren, die betrekking hebben op de kanariezang? Hij stelt : “Het hebben van de overtuiging dat er erfelijkheid in kanaries is, is voor de zangkweker beslist noodzakelijk. Tot dusverre was die overtuiging niet algemeen, voornamelijk omdat er nog geen beschreven erfelijkheid van kanariezang bestond en door verschillende foutieve foksystemen het erfelijk verloop van zangfactoren duister bleef. ...

 

Ook voor mij was het aanvankelijk moeilijk uit de doolhof de rechte weg te vinden, doch na correspondentie met Dr. v. d. Plank van de Rijks- Universiteit te Utrecht mocht ik waardevolle gegevens als basis bekomen. Dr. v. d. Plank's

uitspraak luidde: Erfelijk is de aanleg en/of het vermogen voor de

speciale kanariezang, alhoewel op meerdere factoren

berustend, welke aanleg bestaat doordien ademhalingsorganen en keel anatomisch zodanig gebouwd zijn, dat de mogelijkheid is gegeven om

deze zang voort te brengen. Ook bestaat bij kanaries een erfelijk intellect voor zang. De kanarie is in dit opzicht met verstand of kenvermogen begaafd. De zanglust of zangijver berust eveneens op erfelijke factoren."

 

Weijling concludeert hieruit dat de erffactoren invloed hebben op de orgaanbouw en op het zangintellect. Op de anatomische bouw hebben de erffactoren rechtstreeks hun uitwerking, terwijl de vorm en de aard der klanken dus het indirecte gevolg van de erffactoren zijn.  Met de factoren voor anatomische bouw en zangintellect kan hij vervolgens niet zoveel. Zijn conclusie:  “Zo blijft ons derhalve geen andere conclusie over dan op grond van het indirect effect de aanwezigheid van gunstige erffactoren voor zang aan te nemen.”

 

Hij ziet dit niet als een beletsel maar wel als een handicap om te komen tot stamvorming. Het betekent dat de feitelijke erfelijke waarde van een fokdier pas achteraf bepaald kan worden, aan de hand van de prestaties van de jongen. Dit is de grootste handicap bij de selectie van de poppen, omdat bij een man de zang duidelijk te horen is.  Als we dan ook nog met veel verschillende mannen zouden werken, ontstaan nog meer variabelen. “Wij moeten beginselvast voor een foklijn één uitgangspunt kiezen. Daarom begint het systeem de foklijn met één man.”

Weijling stelt dat de grootste moeilijkheid gelegen is in het bewerkstelligen van de fokzuiverheid. Een stevig houvast hebben wij in dit opzicht steeds aan de zang van de mannen. “Elke man, die een behoorlijk lied brengt van mooie klanken, bezit hiervoor gunstige erffactoren. Om te weten te komen of die man voor die factoren fokzuiver is, moeten wij zodanige paringen trachten te bewerken, waaruit alleen jongen komen met de prima zang. Vinden wij zulk een paring, dan weten we tevens dat ook de moeder de bijpassende factoren heeft aangebracht. Die man en die pop zijn dan waard om een jaar later wederom gepaard te worden. Niettemin kan het dan gebeuren, dat de kinderen nog niet fokzuiver zijn. Jonge mannen, die zelf prima zingen en hun zusters en halfzusters moeten dus ook verder beproefd worden, totdat in een bepaalde lijn het gewenste resultaat wordt aangetroffen, n.l. dat ook de jonge poppen op hun beurt weer enkel prima zangers hebben opgeleverd.”

...

Dit is dus een kwestie van zelf opletten, zelf constateren. Er bestaat geen enkel kweekschema dat het recept geeft  om prima vogels te kweken.  Wat het begrip "prima vererven" betreft, hierover zou gemakkelijk misverstand kunnen ontstaan. Een dier, hetzij man of pop, kan geen andere erffactoren bezitten, dan die het zelf van zijn ouders heeft bekomen. Bij kanariezang komt het er echter precies op aan, dat de samenstelling van factoren gunstig samenkomen, want:  “gelijk er verschillende zangrichtingen bestaan, verschillende toerencombinaties, verschillende toervormen en diverse klankliggingen, even zeker is het, dat er even zovele speciale factoren samen moeten komen.  Het is dus niet voldoende dat een dier een dergelijk gunstig factorengarnituur (dubbel) bezit, maar tevens dat het gepaard wordt met een partner, die eveneens datzelfde garnituur heeft, want pas dan kunnen wij de gelijke vererving constateren aan het resultaat in de jongen.”

 

 

Zonder selectie geen goede vogels. “Er moet geselecteerd worden, want zonder selectie bestaat er geen foksysteem. Bij het systeem der parallelparingen is echter het wachten op het moment waarop deze selectie definitief zal moeten plaats vinden, n.l. met uitschakeling van al het andere.” Bij de parallelparingen is dit moment daar, als er uit bepaalde paringen alleen maar goede vogels geboren worden. De jongen uit deze dieren, met hun vader en moeders, vormen de basis om mee verder te fokken. Dit is het moment om alle  andere vogels uit de foklijn uit te schakelen. Een drastische maatregel,  maar zonder deze maatregel zou het verkregen resultaat weer spoedig teniet gaan. De foklijn is nu immers “gezuiverd”. Daarom moeten er geen andere dieren in gebruikt worden.

 

Om te beginnen met het systeem van parallelparingen is het overigens niet nodig om een heel vogelbestand op te ruimen. “Welnu, deze kwekers behoeven geenszins hun vogels op te ruimen. Dit zou dwaasheid zijn. Alleen de inkleding der paringen moet worden gewijzigd." …….”En dan verder? Dus ook hier weer dat vraagteken in de gewone familieteelt. Dat kan toch anders gedaan worden. Een pop uit een vader van 7 punten, heeft toch ook een moeder gehad en die moeder heeft toch aan de vererving ook het hare bijgedragen! Welnu, als men de dochter heeft kan men ook de moeder achterhalen en als de pop zusters heeft kan men die toch ook in de 7 puntenteelt betrekken. Dan kunnen we reeds een viertal parallelparingen tot stand brengen: de 7 p. man X de pop uit 7 punten vader, de 7 p. man X de moeder van de pop, de 7 p. man X 1 zuster van de pop, de 7 p. man X nog 1 zuster van de pop. Indien geen zusters van de pop voorhanden zijn, doch wel de ouders van de pop, dan kunnen toch alsnog eerst zusters gefokt worden. Dergelijke beknopte afzonderlijke familiegroepjes kunnen toch uit tal van kwekerijen geformeerd worden……. Het systeem der parallelparingen isoleert en localiseert echter dergelijke prima kwaliteiten, doch dit is alleen mogelijk door  een foklijn te vormen uit één stamvader en verder alleen met het nageslacht daarvan voort te kweken. Zo vormt men een constant verervende stam.”

...

Tot zover de beschouwingen van M. Weijling.


 

[1] M. Weijling – het boek voor de zangkanariekweker. 1953 Thieme & Cie, Zutphen

 

HOOFDSTUK 5       Tot besluit

Als we de ervaring van Weijling naast de ervaringen van Espada leggen, merken we op dat er veel overeenkomsten in hun opvattingen zitten. Zowel de conclusies van Espada als die van Weijling zijn gebaseerd op de combinatie van theorie en ervaringen van het kweken met zangkanaries.  De onderwerpen als stamteelt, het streven naar zangeenheid en goede vererving, het gebruik van weinig mannen tegenover veel poppen, en het toepassen van inteelt broer/zus, halfbroer/halfzus, vader/dochter om een gemeenschappelijke afstamming te versterken en eenheid in de zang te brengen – gelden voor beiden als  uitgangspunten. Het interessante is dat ze deze uitgangspunten onafhankelijk van elkaar uitgewerkt en onderbouwd hebben.

Opvallend is ook, dat Espada en Weijling het met elkaar eens zijn over de wijze waarop de zang erfelijk beïnvloed wordt. Espada benadrukt daarbij wel veel meer de invloed van omgevingsfactoren en voeding. Maar allebei zijn ze ervan overtuigd dat de zang gevormd wordt door een complex aan erfelijke factoren die invloed uitoefenen op 1) het zangtalent of de zangaanleg, 2) het zangintellect en 3) de invloed van de fysieke eigenschappen: hoe het zangorgaan gevormd is.

Espada werkt minder strak dan Weijling in een schema, het lijkt erop dat hij selectie nog belangrijker vindt dan het volgen van het schema. Het schema is voor hem een hulpmiddel. Bij zowel Espada als bij Weijling is de basis van het opzetten van een stamgroep duidelijk overeenkomstig: beiden werken met een man met meerdere poppen, beiden werken een groep vogels uit in een geïsoleerde foklijn, in de bewoording van Espada uitgedrukt:: “zonder dat er nog een vreemde veer aan toegevoegd wordt”.  Weijling geeft aan uiteindelijk niet goed met de erffactoren uit de voeten te kunnen en geeft de richting van selectie en het consequent en opzetten van paringen in het schema van paralleparingen met wisselbroed, met daarbij het belang van het vinden van de bijpassende pop. Het vinden van de passende pop is voor Weijling essentieel: maar tegelijkertijd is het een element dat het systeem behoorlijk compliceert. Want wat doet de kweker met die pop, als die gevonden is? Steeds opnieuw gebruiken? En hoe kom je dan vooruit? Weijling gaat uit van poppen die niet per definitie verwant zijn aan de man, Espada zoekt de poppen in de familiegroep en stelt daarbij zanggelijkheid voorop. Het doel van beiden is om de zanggelijkheid in een groep vogels te versterken.

Als het gaat om de invloed van de pop, brengt Espada een nieuw element in. Hij baseert zich daarbij op verschillende experimenten die hij samen met zijn kwekersgroep heeft onderzocht. Hij werkt de ervaringen uit, gerelateerd aan het verschil in vererving van man en pop. Zijn vooronderstelling daarbij is dat het geslachtschromosoom een bepalende rol speelt bij de vererving van zang en met name bepalend is voor het zangtalent. De stelling is dat het zangtalent gekoppeld is aan het Z chromosoom. Espada onderbouwt dit met de ervaringen, die voor hem bewijzen dat deze factor aan het geslachtschromosoom gekoppeld is. Zijn veronderstellingen hierover heeft hij met name aangetoond in zijn experimenten met kruisingen.

Espada en Garcia Iso, de laatstgenoemde destijds ook in de kwekersgroep van Espada, zijn inmiddels in Spanje hard op weg om legendarisch te worden. Zij zijn in staat gebleken om Timbrado’s te kweken, in de door hen van te voren bepaalde richtingen. Espada heeft met zijn kweekgroep zelfs een stamboek gevormd, waar geen Timbrado’s van buiten ingebracht mogen worden. Van elke vogel is exact bekend welke voorouders invloed hebben gehad op het uiteindelijke resultaat. De experimenten die Iso en Espada uitgevoerd hebben, waren erop gericht om meer kennis te verkrijgen over de verervingswijze. Onterecht is de gedachte dat het kruisen van wilde kanaries met Timbrado’s bijdraagt aan het verbeteren van de zang; inmiddels is het vrij algemeen bekend onder de Spaanse kwekers dat de invloed van wildzang op het lied verre van gunstig is. De experimenten die in het verleden gedaan zijn, hebben echter wel veel kennis opgeleverd.  

Het is een uitdaging om de consequenties van bovenstaande theorieën en ervaringen te overdenken voor de kweek met de Timbrado. Het levert ons een aantal praktische handvatten op die gebruikt kunnen worden bij het samenstellen van de paringen. Het moge duidelijk zijn dat wijzelf in onze kweek al jaren uitgaan van parallelle paringen in wisselbroed, waarbij we het doel en de selectie overigens altijd boven het volgen van een schema gesteld hebben. De hieronder geformuleerde richtlijnen en conclusies hebben we getrokken op basis van de voorgaande teksten.   

Uitgaande van hetgeen hiervoor gesteld is, en ook bekend uit de erfelijkheidsleer, weten we dat de pop een zogenaamd “leeg chromosoom” heeft. Dit is een chromosoom, waarop we geen factoren kunnen vaststellen. Dit chromosoom heeft bij de gameetvorming een belangrijke invloed op het uiteindelijke geslacht: man of pop. Dit is de basis waarop de aanname van Espada e.a gebaseerd is. De aanname is gelegen in de veronderstelling dat het zangtalent van een vogel verbonden is aan het geslachtschromosoom. Dit is niet wetenschappelijk bewezen, maar wordt echter wel ondersteund door jarenlange ervaring van verschillende kwekers in Spanje. Wat wel een wetenschappelijk gegeven is, is dat de man een dubbel geslachtschromosoom draagt en de pop een enkel geslachtschromosoom. De veronderstelling is nu dat de man de helft van zijn vader en de helft van zijn moeder ontvangt (Man XX en de Pop XY). De pop heeft 1 “gevuld” geslachtschromosoom. Verondersteld wordt nu dat zij dit chromosoom, en de daarop gelegen factor zangtalent, volledig van de vader erft. Immers, zou bij de gameetvorming de X van vader en de X van  moeder worden ontvangen, dan ontwikkelt de gameet zich tenslotte  tot een mannelijk exemplaar!

 Ervan uitgaande dat bovenstaande klopt, dat de pop het zangtalent van haar vader 100 % vererfd, en dat de man altijd een mix is (50 % vader en 50 % moeder) kunnen een aantal interessante conclusie’s getrokken worden, die helpen bij het opbouwen van de familiegroep en het verbeteren van zangtalent of juist bij het verbeteren van het fenotype/klank. De klank van de vogel, zoals eerder geconcludeerd, ontstaat immers uit de fysieke eigenschappen van de vogel – de wijze waarop het zangorgaan opgebouwd is en de mogelijkheden die daar uit voortkomen.

 Stel nu dat ons doel is om het zangtalent van de jongen te versterken, dan:

1)   Heeft het terugzetten van poppen op de grootvader alleen zin, als deze grootvader de vader van de vader is! Immers: de pop krijgt het zangtalent 100 % van haar vader. Haar vader had 50 % van zijn vader. Deze koppeling is dus interessant als de grootvader een groot zangtalent had en als in de actuele kweekgroep dat zangtalent in mindere mate aanwezig lijkt te zijn.  Het zangtalent (van de grootvader) wordt zo dus door de terugparing versterkt in de actuele kweekgroep. Zou een pop teruggezet worden op de grootvader van moeders kant, dan heeft dat voor versterking van zangtalent geen zin. Immers, de pop heeft helemaal niets aan zangtalent via haar moeder verkregen. In zo’n geval wordt het zangtalent dus met 0,0 % versterkt.

2)   Als een goede man teruggezet wordt op de grootmoeder van vaders kant, ontstaat de volgende situatie: de goede man heeft 50 % van zijn vader en 50 % van zijn moeder. Zijn vader, op zijn beurt, had ook 50 % van zijn vader en 50 % van zijn moeder (de grootmoeder dus). Op deze manier is het dus wel mogelijk om het zangtalent afkomstig van de grootmoeders kant te versterken, maar de koppeling is niet heel sterk. Zet dan liever een goede man terug op zijn moeder. De moeder had immers 100 % zangtalent van haar vader. Dan ontstaat de situatie dat het zangtalent van de grootvader (de vader van zijn moeder) weer sterker in de lijn gebracht wordt.

Als een goede man teruggezet wordt op grootmoeder van moeders kant, ontstaat de volgende situatie: de goede man heeft 50 % van zijn vader en 50 % van zijn moeder. Zijn moeder, op haar beurt, had 100 % van haar vader. Van haar moeder had ze 0 zangtalent vererfd. Deze koppeling heeft dus geen zin – omdat het zangtalent 0,0 versterkt wordt.   

3)   Met als doel het verbeteren van het zangtalent, heeft het koppelen van halfbroer en drie halfzussen alleen zin als de vader identiek is. Immers, de dochters hebben het zangtalent van de vader 100 % meegekregen. De halfbroer van hen, slechts 50 %. Zou alleen de moeder van de halfbroers/halfzussen identiek zijn, dan vindt geen enkele versterking van het zangtalent plaats.

Versterken fenotype/klank:

Dat betekent ook, dat als je halfbroer kruist met drie halfzussen met identieke moeder dan heeft de man weliswaar 50 % van de moeder overgenomen, maar de drie halfzussen 0 %. De bouw van het zangorgaan, verantwoordelijk voor de klank, komt echter niet voort uit een geslachtsverbonden vererving. Al wordt dan bij deze paring niet het zangtalent versterkt, wel wordt het fenotype versterkt. Met als doel het verbeteren van het fenotype, heeft het kruisen van halfbroer en drie halfzussen dus wel zin als de moeder identiek is. Immers, de dochters hebben de factoren voor het fenotype van de moeder,  en de zonen ook.

Hoe het zangtalent versterkt kan worden, kan op bovenstaande wijze uitgewerkt worden. Maar bedenk daarbij wel, ook het zangintellect en het fenotype zijn mede bepalen voor de zang, factoren die niet geslachtsverbonden lijken te vererven. En voor het gemak gaan we hier maar niet uitgebreid in op de omgevingsfactoren, waarvan we wel zeker weten dat deze een hele belangrijke rol spelen. Toch levert voorgaande tekst al iets op in de complexe wereld van het kweken met zangkanaries. Als er zo enorm veel invloeden zijn, is het belangrijk om die variabelen vast te zetten, die we kunnen vastzetten. Van daaruit kunnen we ons werk opzetten en richting proberen te geven.

Variabelen zijn vast te zetten o.m. door met weinig mannen en veel poppen te werken. Door omgevingsfactoren niet elk jaar te veranderen, maar te stabiliseren. Door richting te geven en te berekenen (of te voorspellen), wat de mogelijke opbrengst van een bepaalde koppeling zal zijn. Door in ieder geval het aantal factoren in een familiegroep bij elkaar te houden, proberen te beperken en niet te verbreden door het inbrengen van veel nieuwe vogels. Maak dus gebruik van inteelt, maar onthoud het advies van Espada: beginnende kwekers moeten dat niet bij meer dan twee generaties toepassen. Het is belangrijk dat een kweker daarbij de juiste selecties maakt. Variabelen zijn vast te leggen, door consequent te selecteren, zowel positief als negatief. Onze eigen ervaring is dat het werken volgens een schema in geïsoleerde foklijnen goede resultaten oplevert.

Dit is echter niet iets wat een kweker alleen kan uitvoeren – hiervoor is goede samenwerking tussen verschillende kwekers nodig. Om de verschillende goede combinaties uit te werken in geïsoleerde foklijnen, zou een kweker zoveel vogels moeten kweken dat het ten koste van het plezier in de hobby zou gaan. Bovendien houden kwekers elkaar scherp in samenwerking, want het toepassen van strenge selectie is niet altijd even makkelijk. Zo is het soms de beste weg om een succesvolle vogel uit te sluiten voor de verdere kweek, als de vogel een fout brengt die haaks staat op de zang die wordt nagestreefd. Door verder te kweken in die lijn zou die fout zich opstapelen. Zo een beslissing is voor een kweker alleen soms moeilijk om te maken.

Een schema is richtinggevend, maar mag nooit leidend worden. Dit wordt ook door zowel Weijling als door Espada benadrukt. Het is uiteindelijk  de kweker zelf die de keuzes moet maken, moet bedenken welke doelen nagestreefd worden en waarom bepaalde combinaties resultaat kunnen geven. Dat is nu eenmaal de kern van onze hobby, daarom noemen we onszelf Timbradokwekers. Daarin ligt onze uitdaging, om telkens weer goede vogels te kunnen kweken.

Nee, uiteindelijk dus geen handleiding zoals bij een zelfbouw pakket van een grote winkelketen of een gebruiksaanwijzing zoals bij een medicijn. Maar wel een enorme uitdaging, om in een soort van doolhof steeds weer, met toepassing van de goede selectiecriteria, de juiste weg te kiezen om zo tot de kern door te dringen. Door de structuur van het doolhof te herkennen, door die vogels te kweken waarin we ons einddoel te voorschijn zien komen en waar we met plezier naar luisteren!   

Notabene: deze tekst is nog in bewerking. Een dezer dagen worden nog noten en bronnen  toegevoegd.